Kinderarbeid kan wel degelijk bestreden worden

Verdergaande mondialisering draagt bij aan de oplosing van het kwaad dat kinderarbeid heet, menen Steven Brakman en Arjen van Witteloostuijn.

Wie zich bezig houdt met mondialisering, loopt vroeg of laat tegen het treurigmakende fenomeen van kinderarbeid op. Volgens de internationale arbeidsorganisatie ILO werken ongeveer 250 miljoen kinderen, voornamelijk in ontwikkelingslanden. Dit betekent dat ongeveer één op de zes kinderen onder de 17 jaar betaalde arbeid verricht. Van hen werkt ongeveer 70 procent in gevaarlijke omstandigheden, bijna altijd tegen een jaarloon dat verbleekt bij het gemiddelde weekzakgeld van een Nederlandse puber. Eenzelfde percentage van de kinderen is werkzaam in de agrarische, voedselverwervende sector, terwijl een relatief klein deel actief is in de mijnbouw, industrie of prostitutie.

In de 18de en 19de eeuw was kinderarbeid ook in de westerse wereld een normaal geaccepteerde werkvorm: bepaalde weefgetouwen werden zelfs aanbevolen door erop te wijzen dat ,,zelfs vijf of zes jaar oude kinderen ermee kunnen omgaan.'' Modernere verklaringen benadrukken dat het opleidingsniveau van de ouders een significante determinant is van kinderarbeid. Hoe hoger de ouders zijn opgeleid, hoe hoger hun inkomen, hoe lager de kans dat zij hun kinderen de arbeidsmarkt opsturen. Ten gevolge van geen of slechte ouderlijke scholing kan een gezin gevangen zitten in een inkomensval waaruit het moeilijk ontsnappen is. In dergelijke gezinnen wordt kinderarbeid vaak normaal en noodzakelijk gevonden, waardoor een zichzelf versterkend proces van `eeuwigdurende' kinderarbeid ontstaat.

De absolute hoogte van het inkomen kan echter slechts een deel van de verklaring opleveren. Imers: nogal wat ouders in ontwikkelingslanden sturen, ondanks een relatief hoger opleidingsniveau, hun kinderen niet naar school. Het toekomstige inkomen wordt in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van de school: is deze onder de maat, dan is het naar school sturen van de kinderen voor een arm gezin een kostbare investering met een laag rendement. Het is helaas te vaak een kwestie van kiezen uit twee kwaden: naar een slechte school school zonder inkomen of naar en beroerde werkplek met (een laag) inkomen.

Vroeger werden kinderen vooral ingezet omdat zij letterlijk klein zijn, waardoor ze geschikt waren om bepaalde taken te vervullen. Zij konden bijvoorbeeld moeilijk bereikbare plaatsen in een weefgetouw smeren, of lastig toegankelijke plaatsen in mijnen bereiken. Lichaamsbouw en leeftijd bepalen ook tegenwoordig nog een deel van de vraag naar kinderarbeid. De pedofiele-sexindustrie is natuurlijk het meest afschrikwekkende voorbeeld daarvan, maar ook bij criminele activiteiten als drugshandel komt de inzet van kinderen vaak voor omdat de straffen voor minderjarigen relatief laag zijn.

Gelukkig spelen hier en daar ook positievere overwegingen mee. Als jockey voor kamelenraces in de Verenigde Emiraten zijn kinderen bijzonder gewild, en soms is gewoon sprake van seizoensgebonden vakantiewerk. Maar het zijn uiteindelijk toch vooral de lage arbeidskosten die de inzet van kinderen aantrekkelijk maakt, want hierdoor worden bepaalde laagwaardige productie-activiteiten winstgevend.

Maakt nu mondialisering het probleem groter of kleiner, of staat dit proces los van het probleem? De anti-mondialisten hebben de aandacht voor het fenomeen van kinderarbeid gestimuleerd, maar zij zien ten onrechte mondialisering als de oorzaak van het ontstaan, voortduren of toenemen van kinderarbeid. De werkelijkheid is anders: toenemende economische integratie betekent immers – in algemene termen – dat de werkgelegenheid en de beloning in de exportindustrieën oplopen (de vraag groeit), terwijl die in de importindustrieën afnemen (de vraag daalt). De gevolgen hiervan voor een specifieke groep werknemers, met name kinderen, zijn op voorhand niet duidelijk: het saldo van de kinderwerkgelegenheidsontwikkeling in de uitvoer- en invoeractiviteiten kan zowel positief als negatief zijn, afhankelijk van het aandeel van kinderarbeid in de desbetreffende bedrijfstakken.

Voorzover anti-mondialisten een handelsboycot zouden willen gebruiken om de ontmoediging van kinderarbeid af te dwingen, is het alles behalve ondenkbaar dat precies het tegenovergestelde wordt bewerkstelligd: een stijging in plaats van een daling van kinderarbeid.

Empirisch onderzoek wijst ook in deze richting: een eenduidige relatie tussen meer openheid van landen met betrekking tot de internationale handel enerzijds en de toeneming van kinderarbeid anderzijds, bestaat niet. Een handelsboycot kan, hoe goed ook bedoeld, zelfs desastreuze gevolgen hebben. Begin jaren negentig van de vorige eeuw stimuleerden tegenstanders van kinderarbeid bijvoorbeeld een boycot van handgeknoopte kleden uit Nepal. Het resultaat was dat de vraag naar dergelijke kleden inderdaad afnam, maar dat hierdoor tussen de 5000 en 7000 meisjes terecht kwamen in de prostitutie. Aldus werd het ene kwaad door een nog groter kwaad vervangen.

De cruciale vraag is natuurlijk wat wel gedaan kan worden tegen kinderarbeid. Lokale wetgeving is belangrijk, en ook de kwaliteit van scholing. De belangrijkste variabele is en blijft echter het familie-inkomen. Op de langere termijn blijkt keer op keer dat landen die zich openstellen voor internationale handel na verloop van tijd het gemiddelde inkomen zien stijgen. Uiteindelijk profiteren ook de allerarmsten hiervan, zeker indien ook het rijke Westen een einde maakt aan het beschermen van allerlei bedrijfstakken die juist voor derdewereldlanden kansen bieden. In dit opzicht is verdergaande mondialisering dus niet de oorzaak van het probleem, maar draagt het juist bij aan de oplossing ervan.

Op de korte termijn kan daarnaast ontwikkelingshulp worden gebruikt om ouders een premie te geven op schoolgaande kinderen, met een gelijktijdige ondersteuning van investeringen in de kwaliteit van het onderwijs. Het lijkt in de mode te zijn om de effectiviteit en de omvang van de ontwikkelingshulp in twijfel te trekken, maar zonder dergelijke hulp wordt de oplossing van het kinderarbeidvraagstuk verder vooruit geschoven. In elk geval was de euforische stemming onder anti-mondialisten na de mislukking van de WTO-conferentie in Cançun, geen feestelijk geluid voor miljoenen kinderen in de ontwikkelingslanden die – letterlijk – uit arremoede (slecht) betaalde arbeid verrichten.

Steven Brakman is hoogleraar Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Katholieke Universiteit Nijmegen; Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar Economie aan de Rijksuniversiteit Groningen en de University of Durham.