Het staal en de zenuwen

Als de geruchten waar zijn, dan zal de Amerikaanse president Bush de extra tarieven van tot 30 procent op door de VS ingevoerd staal eind deze week herroepen. Geen dag te vroeg: vanaf 6 december staat het de Europese Unie vrij om tot 2,2 miljard dollar aan tegenmaatregelen te nemen, omdat de Wereldhandelsorganisatie de Amerikaanse tarieven afwees.

De Amerikaanse staalindustrie toonde zich gisteren, bij monde van topman Wilbur Ross van de International Steel Group (onder meer het voormalige Bethlehem Steel) vol vertrouwen over de opheffing van de tarieven. Ross stelde dat de industrie anderhalf jaar sinds de tarieven op 4 maart 2002 werden opgelegd, de tijd heeft gebruikt om zodanig te herstructureren dat zij nu ook zonder tariefbescherming verder kan.

Een volledige herstructurering in anderhalf jaar. En dat in de staalsector? De wonderen zijn de wereld kennelijk nog niet uit. Er is dan ook een ietsje méér aan de hand. Ten eerste kondigde Ross' bedrijf gisteren aan naar de beurs te gaan. En dan kun je natuurlijk moeilijk volhouden dat je zonder invoertarieven ter ziele gaat.

Bovendien is opheffing van de staaltarieven niet noodzakelijkerwijs een ommekeer in de handelspolitiek van de VS. Vrij naar Von Clausewitz, zou de gesmoorde handelsoorlog wellicht met andere middelen kunnen worden voortgezet. Afgelopen vrijdag bereikte de dollar, met een koers van boven de 1,20 dollar per euro, zijn laagste punt in vijf jaar.

Het is natuurlijk puur toeval, maar sinds Bush op 4 maart 2002 de invoertarieven afkondigde, is de dollar met 36 procent gedaald tegenover de euro. Dat is iets meer dan het invoertarief van 30 procent zelf. Het opheffen van het staaltarief neemt niet weg dat Europese staalproducenten straks nog steeds een kostennadeel hebben van pakweg eenderde ten opzichte van de situatie van vóór maart 2002.

Nu is het niet zo dat een lagere dollar makkelijk kan worden ingezet als handelspolitiek instrument. Op het moment dat een Amerikaanse functionaris dat hardop zou zeggen, zou de munt zo hard vallen dat iedereen, de VS incluis, daar grote schade van zou ondervinden. Maar de druppelsgewijze afkalving van de dollar wordt ook niet tegengehouden.

De vorige Amerikaanse minister van Financiën onder Bush, Paul O'Neill, was er zo ziek van dat elk woord over de dollar op een goudschaaltje werd gewogen, dat hij voorstelde het New Yorkse Yankee-stadion af te huren als er een verandering van het sterke-dollarbeleid was. Dat kan zijn, maar niemand heeft beloofd dat er dan ook toegangskaartjes zouden worden verkocht. Een zwakke-dollarpolitiek, als nieuwe stap in de handelspolitiek, kan allang van kracht zijn.

Zonder dat we het weten.