Dierenactivist verrechtst

Tientallen legale clubs strijden voor de dieren. Over strategie, nepotisme en versnippering.

Jort Kelder is de nieuwe held. Voor Bont voor Dieren (tegen bonthandel, 30.000 donateurs) deelde hij begin september een hotelbed met actrice Georgina Verbaan: protest tegen oprukkend bont in de mode. Rond dierendag gaf hij voor Wakker Dier (tegen bio-industrie, 23.000 donateurs) les op middelbare scholen over wantoestanden in de moderne vlees- en zuivelproductie.

En over twee weken zal hij opnieuw all over zijn. Dat hoopt althans Hans Baaij, directeur van Varkens in Nood (10.000 donateurs, tegen de bio-industrie). Eet geen dierenleed heet de campagne die 15 december begint, gericht op 15- tot 35-jarigen, en bedoeld om op `positieve' wijze tot ander gedrag te verleiden. ,,De boodschap is dat elk stapje helpt, van het boycotten van foie gras tot en met vaker vegetarisch eten'', zegt Baaij.

Zo ontwikkelt zich, op verre afstand van het radicale dierenactivisme, het antwoord van de legale dierenclubs op de rechts-conservatieve trend die sinds Fortuyn zichtbaar werd in de maatschappij. Nadat bijna alle grote organisaties in de jaren negentig een sluimerend links actieprofiel verkozen, wordt nu de bocht gemaakt. Lieke Keller, directeur van Bont voor Dieren: ,,Jort Kelder presenteert zich als Groen Rechts. Voor ons een zeer interessant rolmodel.''

Het tekent de grilligheid van de dierenstrijd. Officieel heet het bij alle organisaties dat dierenactivisme links noch rechts is. Maar de meeste clubs zijn puur campagneorganisaties, zonder subsidie, en moeten dus zo nauw mogelijk aansluiten bij de geest van de tijd: wie daarin faalt, ploft in elkaar.

Toch is de huidige dierenstrijd onderdeel van een historische ontwikkeling, zegt Bernd Timmerman. Hij is historicus en socioloog, werkte tien jaar bij de Dierenbescherming, en doet een promotieonderzoek naar dierenactivisme als sociale beweging.

In de eerste fase de vorming van grote organisaties eind negentiende eeuw (Dierenbescherming 1864, Sophia Vereeniging 1887, Bond ter Bestrijding van Vivisectie 1897) is dierenwelzijn een zaak van notabelen. Mensen komen in actie omdat ze beroerd worden door de aanblik van gekwelde dieren. ,,Het inzicht rijpt dat dierenbescherming een vorm van civilisatie is.''

De tweede fase treedt eind jaren zestig in dierenwelzijn wordt een `volks' thema, het dier krijgt eigenwaarde toegekend. Het verzet tegen dierenleed wordt manifester, en er ontstaan talrijke kleinere clubs die zich op één item richten. Typerend, zegt Timmerman, is ,,dat in de jaren tachtig de Kamer, na de nucleaire bewapening, de meeste post krijgt over dierenwelzijn''. [Vervolg DIERENLEED: pagina 2]

DIERENLEED

'Wachten is op een aansprekende leider'

[Vervolg van pagina 1] De one issue-organisaties zijn snel succesvol: de consumptie en verkoop van bont verdwijnt; de nertsenhouderij wordt in 1999 zelfs verboden (later is dit besluit ingetrokken); het aantal dierproeven halveert; acties van Wakker Dier luiden het einde van legbatterij-eieren in; en de bio-industrie komt zozeer onder vuur komt te liggen dat zelfs minister van Landbouw Veerman (CDA) nu het einde voorziet. De Dierenbescherming wiens ledental in de jaren negentig verdubbelt tot bijna 200.000 bewerkstelligt in de Haagse overlegkamers ook een fundamentele omslag, zegt Timmerman. ,,De eigenwaarde van dieren werd een formeel uitgangspunt van overheidsbeleid.''

Inmiddels is in zijn redenering de derde fase aangebroken. Activisten en hun achterbannen kennen dieren fundamentele rechten toe. Klassiek is dat hierover ,,in eerste instantie lacherig wordt gedaan'', zegt Timmerman. Het bleek bij voorbeeld toen in 1998 het partijcongres van GroenLinks de hengelsport verbood; de Kamerfractie nam er fluks afstand van. Na de 'lacherige' fase ontstaat altijd het conflict, zegt Timmerman. ,,Daarin zitten we nu: radicalisering aan de ene kant, de weerstand van de gevestigde orde aan de andere.'' Het is tijdelijke frictie op weg naar een fundamentele omslag, zegt hij. Kenmerkend is volgens hem de opstelling van VVD-filosoof Paul Cliteur, die de omgang met dieren de ,,grootste blinde vlek van deze tijd'' noemt. Door dit soort uitingen ontstaat ,,de intellectuele bovenbouw'' die de beweging node heeft gemist. ,,Het enige dat nu nog ontbreekt is een charismatisch leider naar het voorbeeld van Martin Luther King, die de strijd tegen de uitbuiting van het dier een gezicht geeft.''

Bij gebrek daaraan vechten alle clubjes intussen hun eigen strijd uit. Ieder voor zich. De verfijning in aandachtsgebieden groeit nog steeds. De Vissenbescherming heeft het levenslicht gezien, alsmede het Comité Anti-Stierenvechten (19.000 donateurs); ook vestigen zich steeds meer internationale organisaties hier te lande: de World Society for the Protection of Animals (WSPA), het International Fund for Animal Welfare (IFAW).

Allemaal hebben ze een pand, een campagnemanager, een doel, een plan. Zoals Midas Dekkers dertien jaar geleden al in Vrij Nederland verzuchtte: ,,Met de beschermde dieren gaat het nog steeds niet best maar hun beschermers met hun verenigingen, bonden, liga's, fronten, ledentallen, vierkleurenfolders, kantoren en winkeltjes gedijen wonderwel.''

Strijden voor een betere dierenwereld gaat bovendien gemakkelijk ten koste van mensen. Jan van der Lee, begin jaren tachtig prominent actief in het Dierenbevrijdingsfront (DBF) en vanaf de jaren negentig via zijn bedrijf strategisch adviseur van bijna alle grote (internationale) dierenclubs, zegt dat sommig gedrag bij dit métier hoort. ,,Waar je ook komt bij de Waddenverenging, de Dierenbescherming, anti-vivisectieclubs: dierenbeschermers vechten mekaar de tent uit. Ik denk dat het met het type mens te maken heeft. Er worden vaak machtsspelletjes gespeeld, er is eigenlijk altijd ruzie. En niet over de dieren maar over functies, posities, machtsvraagstukken.''

Ook tussen clubs onderling zijn er wrijvingen. De Sophia Vereeniging die trouwens gaat fuseren met Varkens in Nood wekte een paar jaar geleden de toorn van veel collega-dierenbeschermers door het Rijswijkse primatencentrum BPRC (waar met proefdieren wordt gewerkt) met 250.000 gulden te steunen, juist toen het centrum financiële problemen had. Onder meer Geoffrey Deckers van Een Dier Een Vriend (EDEV), die een belangrijke rol speelt in acties voor sluiting van het BPRC heeft, ergerde zich wild. De Sophia Vereeniging is ook tegen proefdieren, zegt directeur Baaij: het geld was slechts bedoeld om het beroerde leven van de proefdieren te verzachten. ,,Er waren vroeger ook marxisten-leninisten die vonden dat de arbeiders het zo slecht mogelijk moesten hebben, omdat zo de revolutie dichterbij kwam'', smaalt hij.

Niettemin is via een omweggetje gebleken dat het publiek behoefte heeft aan samenballing van de dierenstrijd: de inderhaast gevormde Partij door de Dieren behaalde vorig jaar met een schamel campagnebudget bijna een zetel. ,,Het dier is de arbeider van de 21e eeuw'', citeert Marianne Thieme met instemming de Volkskrant. ,,De ogen van mensen worden geopend.'' Het succes van de partij stimuleert ideeën voor een betere samenwerking. ,,Ik zou wel voor een FNV voor de Dieren zijn'', zegt Timmerman. ,,Als die er is, en er staat ook nog een natuurlijke leider op, dan is de dierenbeweging definitief volwassen geworden. De Partij voor de Dieren kan zo'n rol naast de Dierenbescherming gaan vervullen.''

Evengoed zijn talrijke clubjes zozeer gehecht aan zichzelf en de eigen manier van werken, dat het niet snel zal gebeuren. Geoffrey Deckers van het kleine maar invloedrijke EDEV (10.000 donateurs; ,,we groeien tegen de klippen op'') heeft in het verleden bij andere organisaties gemerkt dat dierenclubs snel een ,,babbelclub'' worden. Daarom weigert Deckers, in de jaren tachtig actief in het Dierenbevrijdingsfront en nog steeds ,,geen heilig boontje'', opening van zaken over de financiën van EDEV. Uit zijn toelichting blijkt wel dat hij financiële belangen in EDEV heeft: aan de ene kant is hij onbetaald voorzitter en campagneleider, anderzijds doet hij, tegen vergoeding, de administratie voor EDEV. ,,Voor 500 euro per maand doe ik administratief werk en run ik het EDEV-kantoor'', zegt hij. En dat is ,,slecht betaald'' Deckers moet er een baan van twee dagen per week naast doen om rond te komen. Het dierenleed maakt zijn agenda overvol. Want als je alles optelt (onbetaald EDEV-voorzitter, betaald EDEV-administrateur en ook nog voor twee dagen per week een reguliere baan) houdt Deckers nooit vrije tijd over. ,,Ik heb werk voor zeven dagen per week.''

Dit is het tweede deel van een serie. Zie www.nrc.nl. Reacties naar: dierenstrijd@nrc.nl

    • Tom-Jan Meeus