Damesportretten en pluimvee uit Genua

De kunst volgt het geld. De waarheid van deze uitspraak die onder andere in 1604 door de kunstenaarsbiograaf Karel van Mander werd opgetekend, wordt bevestigd wanneer men naar de bloei en het verval van steden kijkt. Van Mander, die het met eigen ogen in Gent, Antwerpen, Rome, Haarlem en Amsterdam had waargenomen, wist ook van de bloei der kunsten in Genua. Deze stadstaat was een commercieel knooppunt, niet alleen binnen de Middellandse Zeehandel, maar ook tussen de Middellandse Zee en Noord-Europa. Typerende doorvoerproducten waren de luxueuze stoffen als fluweel, brokaat en zijde. Al vanaf de 15de eeuw vestigden zich Genuese kooplieden in Brugge en verbleven er vertegenwoordigers van Antwerpse handelshuizen in Genua. De Genuezen waren onder de indruk van de noordelijke schilderkunst en kochten werken aan voor hun huizen in Brugge of later Antwerpen. Ze stuurden ook noordelijk werk naar Genua, zodat daar het werk van Jan van Eyck en Rogier van der Weyden bekend raakte. De Antwerpenaren in Genua omringden zich ook met de hun vertrouwde schilderijen en nodigden schilders uit om in Genua te komen werken. Zo raakten de gefortuneerde families in de stad geïnteresseerd in de Vlaamse schilders. Over de aanwezigheid van die noordelijke schilderkunst in Genua en de invloed daarvan op Italiaanse schilders gaat de tentoonstelling Anversa & Genova in Antwerpen, een van de exposities die dit jaar worden gehouden in het kader van de Europalia.

In de 16de eeuw nam het aantal Vlaamse schilders in Genua toe doordat het aantal opdrachtgevers en verzamelaars zich uitbreidde. Daar was ook minder concurrentie dan in typische schildersteden als Rome, Florence en Venetië.

Een krachtige impuls kreeg de schilderkunst in Genua met het kortstondige verblijf van Rubens in de stad tussen 1605 en 1607. Zo'n vijftien jaar later vestigde zich de schilder en kunsthandelaar Cornelis de Wael in de stad. Hij moet het centrum zijn geweest van een schare Vlaamse schilders van wie Anthonie van Dijck verreweg de belangrijkste is geweest. Vooral zijn magistrale portretten van de Genuese fine fleur hebben door hun formaat, hun overweldigende gloeiende kleuren en de dynamische presentatie van de voorgestelden een overweldigende indruk gemaakt. Men hoeft alleen maar de vergelijking te trekken tussen het portret door de Vlaming Van Deynen van een anonieme veertigjarige dame, die ook het affiche van de tentoonstelling siert, met een portret van Van Dijck. Van een afstand heeft Van Deynens vrouw een zekere aantrekkingskracht. Zij staat, gekleed naar Spaanse formele mode, rechtop naast een stoel. De charme van het schilderij ligt in het contrast van de ragfijne kanten kraag en de lange ketting van bloedkoraal met haar zwarte jurk en de donkere achtergrond. Maar dichterbij wordt men geconfronteerd met de stijfheid van de compositie en het expressieloze gelaat. Bovendien was haar outfit voor die tijd (1610) volslagen ouderwets. Vergelijkt men dit weer met het portret door Rubens van de markiezin Veronica Spinola Doria van twee jaar eerder dan valt het grote verschil op. Hoewel ook deze vrouw onbeweeglijk (in een zetel) is afgebeeld, weet Rubens een veel grotere levendiger présence te bereiken en wel door het contrast met de klassieke architectuur op de achtergrond, door een papagaai op de zetel neer te zetten, door de weergave van textuur en kleur van de stoffen en door de plasticiteit van het gelaat. Het contrast met de oude formele portretten is een paar jaar later nog duidelijker wanneer Van Dijck voor enkele jaren de geliefde portrettist in Genua wordt. Men heeft dit enkele jaren geleden op de grote Van Dijck tentoonstelling kunnen zien en nu hangen er opnieuw enkele van zijn Genuese schilderijen, niet de beste overigens.

Behalve op de portretkunst hebben de noordelijke schilders ook hun vernieuwend stempel gezet op religieuze figuurstukken, maar ook op onderwerpen als het landschap, het stilleven en op het keukenstuk. Daarbij nemen de schilders langzaam maar zeker afstand van de religieuze boodschap en confronteren ze de kijker met een weliswaar gearrangeerd maar toch realistisch alledaags tafereel. De schilder die het keukenstuk het best transformeerde in een eigen duidelijk Italiaanse stijl was de veelzijdige Bernardo Strozzi. De directheid van zijn Keukenmeid is aanstekelijk. Weliswaar is de ruimte waarin zij zich bevindt niet erg duidelijk gedefinieerd, doet de zilveren schenkkan onlogisch en geforceerd aan en heeft ze wel erg worstige armen en vingers, toch is de vrouw in haar noeste zwanenplukarbeid goed getroffen. Het dode plastisch geschilderde pluimvee contrasteert prachtig met de levendigheid van haar blik.

De tentoonstelling omvat zo'n zestig schilderijen, vooral uit de 17de eeuw. De zalen zijn zorgvuldig ingericht. Elke zaal heeft zijn eigen door gekleurd fluweel opgeroepen atmosfeer, waar de schilderijen – zorgvuldig uitgelicht – zijn opgehangen. De eerste zalen zijn donker gehouden en de volgende worden steeds lichter. Dat heeft een theatraal effect, wat in vele gevallen goed uitpakt. Men krijgt een gestileerde impressie van vorstelijke, door kaarslicht verlichte zalen. Mooi meegenomen is dat de spotlights een deel van het schilderij extra belichten en de rest, dus ook minder geslaagde of zelfs gesleten delen verdoezelen. In de laatste zalen valt daglicht binnen. De kwaliteit van de werken – men had een opvallende voorkeur voor volle bewegelijke stukken – is niet heel hoog en dat daglicht slaat in deze zaal des te genadelozer toe.

Tentoonstelling: Anversa & Genova. Een hoogtepunt in de barokschilderkunst. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Tot 4 januari. Catalogus €31,–