VS en Europa zijn nog niet klaar met Iran

Amerika en Europa moeten nu gezamenlijke druk op de regering in Teheran uitoefenen om absolute zekerheid te krijgen dat Iran geen kernwapens zal produceren, menen Ivo Daalder en Michael Levi.

Afgelopen maand leken de Verenigde Staten en Europa af te stevenen op een ernstige breuk over hun aanpak van het Iraanse atoomprogramma. Washington stelde dat een onlangs uitgebracht rapport van het Internationale Bureau voor Atoomenergie (IAEA) aantoonde dat Teheran, in strijd met zijn verdragsverplichtingen, op kernwapens uit was en wilde de kwestie aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties voorleggen.

De Europeanen, onder leiding van Berlijn, Parijs en Londen, waren van mening dat de medewerking met het IAEA die Teheran onlangs beloofde door extra inspecties toe te staan en zijn programma tot verrijking van uranium op te schorten, aanleiding was om zich meegaand op te stellen – en dus ook niet naar de Veiligheidsraad te gaan.

Te elfder ure is bij het IAEA een compromis bereikt waarmee het geschil lijkt opgelost, maar dit mag niet worden verward met een brede overeenkomst over de beste aanpak van de Iraanse nucleaire ambities. Als Europa en de Verenigde Staten het niet eens worden over een lange-termijnstrategie tegenover Iran, zal het conflict weer oplaaien.

Sterker, dit geschil heeft alles in zich om opnieuw te leiden tot de rampzalige breuken die over Irak ontstonden, zij het dat ditmaal Groot-Brittannië de kant van zijn Europese bondgenoten tegen de Verenigde Staten kiest. Gevoegd bij het Irak-debacle zou blijvende verdeeldheid over een gezamenlijke strategie tegenover Iran Europa en de Verenigde Staten voorgoed uit elkaar kunnen drijven.

Zo'n breuk zou om tal van redenen tragisch zijn, niet in de laatste plaats omdat in dit geval volstrekt geen meningsverschil tussen beide partijen over het uiteindelijke doel bestaat. Iedereen – Europa en de Verenigde Staten, maar ook Australië, Canada, Japan en zelfs Rusland – weet dat het buitengewoon ernstige gevolgen heeft als Iran een kernmacht wordt.

De lange-afstandsraketten van Teheran zouden een groot deel van Europa binnen bereik van een mogelijke kernaanval brengen. Buurlanden zouden kunnen antwoorden door zich ook te voorzien van afschrikkingsmiddelen. En Israël, dat Iran allang als ernstige bedreiging ziet, zou kunnen besluiten preventief toe te slaan, zoals het in 1981 tegen Irak heeft gedaan.

Om een dergelijke gevaarlijke spiraal te verhinderen, moet de ontwikkeling van Iraanse kernwapens worden gestuit. Daartoe is het is niet genoeg dat Teheran het verdrag tegen de verspreiding van kernwapens ondertekent, want dat heeft het gedaan. Ook is het niet voldoende om extra inspecties door het IAEA toe te staan teneinde vast te stellen of Iran zich nog altijd aan zijn verdragsverplichtingen houdt.

Zolang Iran in aanleg in staat is materiaal voor kernwapens te produceren, hetzij door verrijking van uranium, hetzij door opwerking van plutonium, heeft het land de mogelijkheid in de voetstappen van Noord-Korea te treden – door te verklaren dat het zich terugtrekt uit het non-proliferatieverdrag, de inspecteurs weg te sturen en de laatste hand aan een bom te leggen. Alleen als de sleutelonderdelen voor de productie van wapenmateriaal in de kernbrandstofcyclus zijn ontmanteld, is enig vertrouwen op zijn plaats dat Teheran geen kernmacht zal worden.

De Europeanen en Amerikanen zijn het eens over het doel om de Iraanse productiemiddelen voor kernwapens uit te schakelen. Waar ze het niet over eens zijn is hoe dit bereikt moet worden.

De strategie van de regering-Bush lijkt om Iran te dwingen zijn programma op te geven door het dreigementen voor te houden. Nu Iran op heterdaad is betrapt door het IAEA, dat concludeerde dat Iran al achttien jaar stiekem bezig is met verrijkings- en opwerkingsactiviteiten, is de regering-Bush van mening dat de tijd voor vertrouwen en onderhandelingen voorbij is. In plaats daarvan zou de kwestie aan de Veiligheidsraad moeten worden voorgelegd – al maakt Washington niet precies duidelijk welke acties het vervolgens zou steunen.

Europa staat een andere koers voor. De ministers van Buitenlandse Zaken van Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland zijn onlangs naar Teheran gereisd, en hebben de toezegging gekregen dat Iran zijn activiteiten tot verrijking van uranium zal opschorten en de IAEA zal toestaan vermeende kerninstallaties te inspecteren. In ruil voor verdere medewerking van Iran op dit punt hebben de Europese leiders meer economische en technische samenwerking beloofd, misschien ook op nucleair terrein, zodra alle zorgen waren opgelost.

Er lijkt dus wel een duidelijke basis voor een gezamenlijke strategie te zijn – die verder gaat dan het Amerikaans-Europese besluit van afgelopen week om de voorkeur van de regering-Bush voor de stok te combineren met de Europese nadruk op de wortel.

De Verenigde Staten en Europa zouden het eens moeten worden over een duidelijke reeks criteria om Iran te bewegen zijn verrijkings- en opwerkingsmogelijkheden op te geven, met een specifiek tijdpad om elk van deze criteria te bereiken. Tegelijkertijd zouden beide partijen duidelijke grenzen moeten trekken die Teheran niet mag overschrijden. Europa en de Verenigde Staten zouden het eens moeten worden over het soort sancties dat ze toepassen in het geval dat Iran zou dwarsliggen – van een verzoek aan de Verenigde Naties om economische sancties tot, in laatste instantie, de vernietiging van installaties met geweld.

Het is overduidelijk dat de Amerikaans-Europese onenigheid over de aanpak van de dreiging van massavernietigingswapens een hoge prijs heeft. Geen van beide partijen kunnen zich een herhaling van het Irak-debacle veroorloven. In het geval van Iran moet het tot de mogelijkheden van de Amerikaanse en Europese diplomaten behoren om te komen tot een gezamenlijke strategie ten behoeve van een gezamenlijk doel – als ze daar nu eens één keer hun best voor deden.

Ivo Daalder en Michael Levi zijn verbonden aan de Brookings Institution, een Democratische denktank in Washington.