Spanje ziet `humanitaire missie' bedreigd

Na de dood van zeven Spaanse soldaten in Irak is de discussie over de Spaanse deelname aan de troepenmacht in Irak opnieuw opgelaaid.

Iraakse jongetjes dansend en trappend op de verminkte lichamen van Spaanse soldaten. De cameraploeg van het Britse Sky News had maar twee minuten de tijd om de opnames te maken alvorens te vluchten. Maar geen krant die de gruwelijke beelden in het schemerduister van de invallende nacht bij Bagdad niet heeft afgedrukt. Irak verwelkomt zijn Spaanse bevrijders die, zoals de regering in Madrid bij herhaling heeft verkondigd, zijn afgereisd voor een humanitaire missie.

Met een dag van nationale rouw en algemene teneergeslagendheid heeft Spanje zijn zeven gedode militairen herdacht die gisteren met een speciaal vliegtuig arriveerden op een luchtmachtbasis nabij Madrid. In het bijzijn van de families en een groot aantal hoogwaardigheidsbekleders werden de kisten tijdens een eenvoudige plechtigheid ontvangen op de landingsstrip. De slachtoffers behoorden allen tot een eenheid van de inlichtingendienst. De aanslag heeft Spanje in een klap beroofd van zijn meest ervaren experts in de zone.

Vooralsnog overheerst de droefenis, maar op achtergond is reeds het gerommel van aanzwellend ongenoegen te horen. Anders dan de conservatieve regering, die zich zonder meer opstelde achter de Amerikaanse invasie, moet een overweldigende meerderheid van de Spanjaarden weinig weten van de Spaanse aanwezigheid in Irak. In een korte, voorgelezen toespraak, riep premier José Mária Aznar gisteren de bevolking op tot eenheid en solidariteit met de families van de slachtoffers.

De premier gebruikte zijn optreden tevens om zijn regeringspolitiek te verdedigen. Volgens Aznar is er geen grens in de ,,strijd tegen het terrorisme'' en is de aanwezigheid van Spaanse troepen bedoeld om de vrijheid te garanderen. Terugtrekking van de Spaanse troepen is volgens hem dan ook niet aan de orde. Dat zou onder de huidige omstandigheden het slechtste alternatief zijn, aldus Aznar.

Het breed gedeelde medeleven in Spanje betekent geenszins dat de bevolking nu als een man achter haar premier staat. De socialistische oppositie riep haar aanhang op tot respect voor de slachtoffers en liet met zoveel woorden weten dat het niet het juiste moment was voor een politieke discussie. Maar de socialistische leider José Luis Rodríguez Zapatero sprak wel de hoop uit dat de Spaanse troepen ,,zo snel mogelijk'' uit Irak teruggetrokken worden. Baskische nationalisten en de linkse federatie IU eisten zonder veel omwegen het aftreden van de minister van Defensie, Federico Trillo.

Naar verwachting zal de politieke discussie later deze week volgen als premier Aznar in het parlement zal verschijnen. Op zich heeft hij weinig te vrezen, want hij weet zich gesteund door de absolute meerderheid. Maar onderhuids bestaat er wel degelijk zorg binnen zijn partij. Tot dusver had de afwijzing onder de bevolking van de Spaanse aanwezigheid in Irak weinig politieke repercussies. In gemeentelijke en regionale verkiezingen hadden de kiezers wel wat anders aan hun hoofd. Maar het is de vraag of dit zo blijft als straks in maart landelijke verkiezingen worden gehouden. Mochten er de komende maanden meer lijkkisten arriveren dan is het allermist uitgesloten dat de regerende conservatieve partij schade oploopt.

Ook gisteren trok Aznar, als argument voor de Spaanse bijdrage, een vergelijking met het terrorisme van de ETA, dat Spanje al sinds jaar en dag van nabij meemaakt. Die vergelijking begint evenwel steeds meer glans te verliezen nu de Spaanse troepen kennelijk door veel Irakezen niet als bevrijders, maar als bezetters worden gezien. In de vele discussieprogramma's op radio en televisie, en ook in opinieartikelen in de kranten was de vraag dan ook niet zozeer of Spanje moet blijven, maar wanneer en hoe het vertrek zo snel mogelijk kan worden bewerkstelligd.