`Qalqiliya is veranderd in een gevangenis'

De Israëlische veiligheidsafscheiding houdt de Palestijnse stad Qalqiliya op de bezette Westelijke Jordaanoever in een wurggreep.

In Abdulrahims Oweinats koffiehuis in het centrum van de Palestijnse stad Qalqiliya zijn maar twee tafels bezet. Een tiental mannen speelt er kaart, maar ze zijn zwijgzaam. Overal in de stad voel je dezelfde bedrukte stemming. Op straat liggen de kraampjes en winkels van de souq er verlaten bij. Zelfs toen moslims overal ter wereld vorige week het suikerfeest ter afronding van de vastenmaand Ramadan vierden, was er in Qalqiliya van een feest bitter weinig te merken.

,,Qalqiliya bloedt langzaam maar zeker dood'', zegt Abu Amjid, zoals Oweinat bekendstaat. ,,Ik verdien hier in mijn café bijna niets. De mensen hebben geen geld. Er is geen werk. Wij hebben geen toekomst.'' Van premier Ahmed Qurie of van de diverse nieuwe vredesinitatieven verwacht hij niets. ,,Je weet toch zelf ook wel dat alleen Sharon de baas is.''

Als je Qalqiliya, een mooie en modern ogende stad, binnenrijdt is het eerste dat opvalt hoe smerig de wegen erbij liggen. Voor de gemeentereiniging is heel het gebied rond de stad, inclusief de invalswegen, namelijk verboden terrein. Qalqiliya betaalt een zware tol wegens zijn ligging vlakbij de `Groene lijn', de Israëlische grens van voor de Zesdaagse Oorlog van 1967. De Israëlische regering houdt de 45.000 inwoners al drie jaar omsingeld met controleposten, troepen en tanks, en wat de Israëlische premier Ariel Sharon `de veiligheidsbarrière' noemt, betekent voor Qalqiliya een wurggreep.

De Palestijnen hebben het steevast over `de muur'. Voor hen maakt het niet veel uit of het een prikkeldraadafscheiding betreft, of zoals op sommige plaatsen een acht meter hoge betonnen muur. Hoofdzaak is dat zij er niet meer door-, noch overheen komen. Wie in Qalqiliya woont zit gevangen, en aangezien het leeuwendeel van de bevolking tot het begin van de intifadah in 2000 op de Israëlische arbeidsmarkt was aangewezen, is het niet verwonderlijk dat zij nu de doodsklokken horen luiden.

Zelfs bij de ene uitgang, aan oostelijke kant, moet je als Palestijn door de Israëlische controlepost – als die open is – zien te komen. Geen pasje, geen doorgang. Nablus ligt een half uurtje van hier, maar die trip kost nu een dag, als de reiziger onderweg veel geluk heeft bij de controles. Er komt een tunnel aan zuidelijke kant, onder de afscheiding door, die de stad moet verbinden met 14 dorpen. Die zijn aan de Israëlische kant van de afscheiding terechtgekomen en afgesneden van de voorzieningen van Qalqiliya.

Iedereen heeft het moeilijk. Laith, 18, zou graag volgend jaar geschiedenis studeren in Nablus, maar uiteindelijk geeft hij toe dat hij niet meer durft te dromen. Een jaar studie aan de Najjah-universiteit kost al gauw meer dan 1.500 dollar en zijn vader verdient amper de kost. Diens schoenwinkel brengt niet veel meer op. De klanten blijven weg. Laith heeft nog drie broers en vijf zussen. Twee van hen, de student Mohammed en de kapper Ahmed, zitten al ruim twee jaar in de Israëlische gevangenis.

,,De meeste mensen werkten in Israël in fabrieken, op boerderijen en in de bouw'', vertelt cafébaas Abu Amjid. ,,Ze verdienden daar goed de kost. Nu blijft daar niets van over. De mensen blijven elkaar helpen, maar je ziet dat meer en meer er niet meer uitkomen. Ik krijg hier mensen over de vloer die om een koffie vragen of een sigaret; ze hebben er geen geld meer voor.''

Vorige week gaf de Palestijnse leider Yasser Arafat Qalqiliya 250.000 dollar. Dat geld werd door de plaatselijke leider van zijn Fatah-organisatie, Abu Hazza, verdeeld onder de vier clans, de Daoud, de Nazzal, de al-Zeid en Abu Amjids tribale groep, de al-Shreim. Een dergelijke groep of `hamula' overkoepelt 10 tot 15 grote families. Deze informele netwerken vormen zowat de enige structuur die nog overeind blijft. Voor Arafat is deze vorm van cliëntelisme een manier om de bevolking met weinig middelen aan zich verplicht te houden en zijn lokale vertegenwoordigers in hun machtspositie te bevestigen.

,,Ja, er wordt heel veel over gepraat en Arafat is voor heel de stad de held, ook al stelt het op zich niet veel voor. Mijn familie – wij zijn zes broers – kreeg 450 dollar. Dat werd aan drie broers overhandigd, maar wij delen dat dan gewoon verder uit over alle takken van de familie. Voor mij en mijn gezin bleef er uiteindelijk een magere 50 dollar over'', aldus Abu Amjid.

Vlak voor de intifadah begon opende Abu Amjid een restaurant. Hij investeerde 75.000 dollar, maar na een paar maanden werd de stad afgegrendeld en de straat gesloten, en nu staat `de muur' een paar honderd meter voor zijn bankroete restaurant. Hij moet nog 15.000 dollar aan een kennis terugbetalen.

Hij heeft vier zonen en twee dochters. ,,En ik zou ook vier vrouwen kunnen hebben, maar een is al te veel.'' Zijn oudste zoon, Amjid, 29, zit samen met broer Majdi, 23 jaar, sinds oktober 2002 in Israël gevangen. ,,Zij zitten in een kleine gevangenis, en wij zitten hier in een enorm grote gevangenis.''

,,Vroeger deed ik om vier uur 's morgens open, de mensen stonden in de rij om koffie te drinken voor ze naar Israël gingen werken. Er waren hier ook twee eethuizen naast, maar die sloten de deuren twee jaar geleden al. Ik heb zelf ook niet veel te doen, maar ik kan niet thuis gaan zitten kniezen. Mijn vrouw is erg neerslachtig. Ze piekert de hele dag over onze kinderen in de gevangenis.''

Voor de deur spelen kinderen gewapend met speelgoedpistolen oorlog. ,,Niet op letten, ze spelen maar wat'', grapt Abu Amjid. Sporadisch klinken geweerschoten. ,,Goede nacht en zoete dromen'', zegt Abu Amjid lachend bij het afscheid. Hij voegt er fluisterend aan toe: ,,Wij hebben hier al lang geen dromen meer.''