Onder het masker

In Times Literary Supplement werd onlangs een biografie besproken van de Griekse dichter Yorgos Seferis. In de bespreking werd gerefereerd aan wat daar het bekendste gedicht van Seferis werd genoemd `De koning van Asine'. Ik weet niet of het waar is dat dit het bekendste is. Meestal wordt zijn gedicht `De ontkenning' het bekendst gevonden omdat Mikis Theodorakis dat zo prachtig op muziek zette als `Sto perijali to krifo' – `Op het verborgen strand'. Ik had altijd gehoord dat toen Seferis begraven werd, tijdens de kolonelsdictatuur, de menigte achter de kist dat lied zong. Met die ene schitterende regel erin: ,,We namen ons leven verkeerd/ en we veranderden van leven''. Schitterend en zoals wel vaker bij Seferis, redelijk onbegrijpelijk. Want wat betekent `we namen ons leven'? Of moet het zijn `we ontvingen ons leven', wat ook kan, maar van wie dan en hoezo dan verkeerd? Maar dat een menigte achter de kist van een dichter zoiets zingt... Dat is wat anders dan teddyberen leggen.

In dit stuk werd overigens beweerd dat ze een ander lied zongen `Ligo akoma': `nog even', `en we zullen zien hoe de amandelbomen bloeien'. Ook mooi.

Hoe dan ook, de koning van Asine nog maar weer eens opgezocht. Hij komt voor in een lijst van oorlogsdeelnemers in de Ilias, alleen zijn naam ,,één woord maar in de Ilias en dat onzeker''. Asine is de naam van een voormalige burcht op de Peloponesus, waar nu niets meer te zien is. Ben er nog wel eens geweest met Seferis' gedicht bij de hand, het was winter, zelfs het licht dat S. beschrijft was niet te zien ,,het licht dat diamanten sleep op de grote muren''. De muren zelf wel. Ook mooi trouwens. In het gedicht wordt een omzwerving over die verlaten burcht beschreven, die tevens een zoektocht is naar die verdwenen koning ,,hier weggeworpen als een gouden grafmasker''. Meer is er niet: ,,onder het masker een leegte''. Verderop heet het: ,,de dichter een leegte.''

Dacht aan een gesprek met vrienden, niet lang daarvoor, waarbij iemand zei: ,,je kunt wel maskers blijven afrukken, maar het is een vergissing om te denken dat er meer is dan het masker. Wij zijn de maskers.''

Ja, we zijn zeker ook de maskers die we dragen. Ook. Maar mij lijkt de som der delen dan toch kleiner dan het geheel: al die maskers bij elkaar zijn de hele persoon niet.

Ik ken mensen die hun uiterste best doen om zichzelf en hun leven zo veel mogelijk voor zichzelf te houden. Iedereen die ze kennen krijgt bewust maar een deeltje te zien. Als privacy-behoefte is het wel te begrijpen misschien, maar tegelijkertijd denk je altijd: hoe zou je, ook als je beiden probeerde jezelf zoveel mogelijk bekend te maken, de illusie kunnen hebben dat je elkaar ook werkelijk kende? Dus waarom zou je dan moeite doen om jezelf nóg veel geheimzinniger te houden dan toch al, noodzakelijkerwijs, het geval is? Misschien om die waarheid erin te hameren: dat je elkaar niet kent en dat ook niet moet denken?

Las het laatst nog bij Max Frisch, in zijn Dagboek 1946-1949, onder het kopje: `Gij zult u geen beeld maken': ,,Onze mening dat we de ander kennen betekent het einde van de liefde.'' En omdat Frisch Frisch is, draait hij dat ook meteen om: ,,Niet omdat we de ander kennen loopt onze liefde af, maar omgekeerd: omdat onze liefde afloopt, omdat haar kracht is uitgeput, daarom zijn we op die mens uitgekeken.'' We zijn niet meer in staat om ons géén beeld van de ander te maken, dus komen we tot een beeld van hem of haar: ,,dat is de liefdeloosheid, het verraad.''

Met een beeld bedoelt Frisch, neem ik aan: een afgerond beeld, een kloppend verhaal. Zoals Frans Kellendonk schreef, ook over het maken van beelden, maar dan met betrekking tot God: ,,De pretentie als zouden we weten waar we het over hebben, verkleint het mysterie.'' Dat geldt ook voor mensen onderling. En zelfs, ben ik geneigd om te denken, voor mensen in hun verhouding tot zichzelf. Men kent zichzelf niet. Al die psychologiserende verhalen over wie we zijn en hoe dat zo gekomen is, ze zijn allemaal miezerige constructies. Behulpzaam soms, zeker, maar het is een vergissing ze voor de waarheid te houden.

Denk alleen maar aan wat Augustinus zo juist ,,de velden en grotten en holen van het geheugen'' heeft genoemd, als ook `de schatkamers' en `de paleizen'. Wat zit er niet allemaal in onze hoofden aan herinneringen, te veel al voor ons zelf om in één beeld op te nemen, te veel om te vertellen, meer dan we kunnen overzien, zoals ook Augustinus constateerde: ,,het is op de een of andere manier iets huiveringwekkends, mijn God, die diepe, onbegrensde, veelvoudigheid.'' En hoe gebrekkig is alles wat we daarover zeggen. Als je je herinnert hoe het rook in de servieskast van je oma, hoe een bepaald kleed voelde onder je vingers, hoe het licht in je kinderkamer naar binnen viel; of het moment van onder water duiken in de grijze morgenzee – wat heeft taal daarmee te maken? Vrijwel niets. De woorden zijn de herinnering niet, maar een armzalige afspiegeling.

De vorige keer citeerde ik de schrijver Alfred Kossmann, die schreef dat ,,een oprecht denkend ik weet dat het niet bestaat''. Ik denk dat hij dit alles bedoelde. Dat elk verhaal over onszelf niet de waarheid is, dat elk beeld dat we ons van onszelf of een ander vormen, niet te maken heeft met degene die echt bestaat.

Dus een leegte achter een masker, ik weet het niet. Al zoeken we elkaar en onszelf misschien even vergeefs als de dichter de koning van Asine daar op die burcht, degene die zoekt zou toch liever met Augustinus moeten zeggen: ,,Leven ben ik, veelsoortig, veelvormig leven, leven van een geweldige onmetelijkheid.''

    • Marjoleine de Vos