`Musea zijn niet meer van deze tijd'

Musea moeten weer `paleizen van verwondering' worden, betoogt voormalig museumdirecteur Julian Spalding in zijn boek The Poetic Museum. Alles moet anders om de hedendaagse bezoeker nog aan te spreken. ,,Van Disney kan de museale wereld nog wat leren, op het gebied van gastvrijheid bijvoorbeeld.'

Musea zijn achterhaalde instituten aan het worden. Ze gaan gewoon door met het verzamelen van dezelfde spullen die ze altijd al verzamelden, maar ze gaan niet op zoek naar nieuwe manieren om het verhaal erachter te vertellen. Daardoor lopen musea de aansluiting bij een nieuw publiek – jongeren, bijvoorbeeld, en allochtonen – mis. ,,Musea dreigen òf opslagplaatsen vol oude dingen en oude gedachten te worden, òf pretparken.'

Met deze stelling confronteerde de Engelsman Julian Spalding, voormalig museumdirecteur en auteur van het boek The Poetic Museum (uitg. Prestel, 2000), vorige week de Nederlandse museumwereld. Spalding (55) trad op als keynote speaker bij het afscheid van Annemarie Vels Heijn als directeur van de Nederlandse Museumvereniging, sprak met directie en staf van het Rijksmuseum over de herinrichting, hield een lezing voor de sector van de cultuurmarketing en nam de gelegenheid te baat om een aantal Nederlandse musea te bezoeken.

In 1998, Spalding was toen directeur van de negen musea die te samen het Glasgow Museum vormden, kreeg hij van de New Labour-regering te horen dat zijn functie werd opgedoekt. De musea zouden voortaan worden gerund door een leisure manager. ,,Alsof het pretparken waren!' Uit frustratie met het instituut `museum' dat zichzelf kennelijk zo had gemarginaliseerd, is hij The Poetic Museum gaan schrijven. Het is een gepassioneerd pleidooi voor musea waarin verhalen worden verteld en verbanden worden gelegd die voor ons als hedendaagse bezoekers relevant zijn, en een gevoel bij de objecten oproepen. Musea moeten geen aangeklede feiten en cijfers bieden, is Spaldings overtuiging, maar gevoelens, gedachten, ideeën. Geen les, maar een belevenis. Musea moeten weer `paleizen van verwondering' worden.

Zijn bezoek aan enkele Nederlandse musea – behalve in de Randstad ook het museum voor lokale geschiedenis in het Noord-Groningse Warffum en het Zeeuws museum in Middelburg – veroorzaakte bij Spalding een zekere verwarring. ,,Nederland moet haast wel de museumhoofdstad van de wereld zijn, zoveel zijn het er hier!' roept hij uit.

,,Musea zijn een integraal onderdeel van het educatief-cultureel klimaat dat de Nederlanders als een fundamenteel recht zien. Dat is prachtig. Ze vertegenwoordigen de waarden van gelijkheid en gerechtigheid uit de Verlichting, zoals die vorm kregen in een protestante maatschappij. Ze waren verzamelplaatsen van artefacten in een tijd dat we de fysieke wereld nog aan het verkennen waren. Door die artefacten in categorieën in te delen hielpen ze ons de wereld om ons heen te begrijpen.

,,Maar nu zit de wereld anders in elkaar, nu ontstaan kennis en inzicht door het leggen van dwarsverbanden. Toch blijven musea hardnekkig in de oude categorieën denken en exposeren. Zo is de staf ook opgezet, en de conservatoren vechten om behoud van hun territorium. Maar ondertussen is het publiek aan het veranderen, net als de context waarbinnen musea bestaan. De rol van opslagplaats van kennis wordt nu beter vervuld door andere instanties, bijvoorbeeld internet.' De plannen voor herinrichting van het Rijksmuseum bieden een kans voor vernieuwing die het museum naar zijn idee onvoldoende aanpakt: ,,De integratie van de voorwerpen vind ik goed, maar ook straks blijft de opstelling een chronologische uitstalling.' Het natuurhistorische museum Naturalis in Leiden vond hij een regelrechte deceptie: ,,Daar hebben ze gewoon alles uitgestald wat ze hebben. Als bezoeker denk je dat álles moet bekijken, en ben je bij voorbaat vermoeid en ontmoedigd.'

In de inleiding van The Poetic Museum beschrijft Spalding hoe bezoekers blij lachend Disneyland verlaten, maar zichtbaar vermoeid en bedrukt uit een museum komen. ,,Inderdaad, veel mensen in de museumwereld slaan op tilt van die vergelijking. Dat is kortzichtig. Disney mag je niet negeren, dat is nu eenmaal de concurrent. De museale wereld kan er juist wat van leren, bijvoorbeeld op het gebied van gastvrijheid en het bieden van een bevredigende belevenis – zonder zelf door te schieten en een pretpark te worden. Het museum is een van de laatste écht openbare plekken, het moet zowel popular als profound zijn.'

Het probleem zit 'm volgens Spalding niet in de wijze van financiering: ,,Ik vind het prima als musea met publiek geld worden gefinancierd. Alleen al het behoud van alle objecten in een collectie kost een vermogen. Maar op een museum dat met publiek geld wordt gefinancierd, rust een nóg zwaardere plicht om zich met het publiek te verstaan.'

Als hij overkomt als de Cassandra van de museale cultuur, dan komt dat voort uit oprechte bezorgdheid over de stilstand – en daarmee achteruitgang – die hij bespeurt. ,,Musea moeten in nationale en internationale verbanden gaan denken. Het is niet genoeg om je te verlaten op dat wat je al hebt, nee, je moet beslissen: welk verhaal wil ik vertellen, welke inzichten wil ik bieden, en daar de objecten bij zoeken. Je moet de bezoeker weten te ontroeren.'

Gerectificeerd

Spalding

De foto van Julian Spalding bij het artikel `Musea zijn niet meer van deze tijd' (1 december, pagina 9) is ten onrechte toegeschreven aan Leo van Velzen. De foto is gemaakt door Roger Cremers.