Liefde per kerende post

Dat Ik ben er voor niemand, het prozadebuut van de Utrechtse dichter Ingmar Heytze (1970), een curieuze vertelling is, blijkt al uit de naam van de held. `Mijn naam is Afzender. Retour Afzender. Ik krijg vrij veel post. Alle post die ongewenst of verkeerd bezorgd is, komt bij mij terecht.' Dat doet je even vrezen voor meligheid, maar dat blijkt ongegrond: Ik ben er voor niemand is een melancholieke, beeldende vertelling over een eenzame jongeman en zijn liefde voor een verward meisje, onder het pijnlijke motto `het is niet erg om iemands tweede keus te zijn, zolang die iemand maar jouw eerste keus is'.

Het meisje voor wie Afzender zijn eerste-keusliefde opvat is welbeschouwd ook een verkeerd bezorgd poststuk. Zij heeft eigenlijk iets met een jongen `die altijd allemaal meisjes achter zich aanhad omdat hij er zo leuk uitzag en zo grappig was'. Naar die jongen keert zij, na een week met Afzender, ook weer terug. Ik ben er voor niemand is geschreven in `prozaminiaturen', fragmenten van ongeveer een pagina lengte die in hun welbewust naïeve toon doen denken aan de dierenverhalen van Toon Tellegen. Die associatie wordt versterkt door de namen van de belangrijkste figuren: het meisje heet Egel, en een goede kennis van de hoofdpersoon heet de eenhoorn.

Ook loopt er een kabouter rond die `omdat hij toch al jaloers is op alles wat groter is dan hij' eenmaal per jaar middenin de nacht opstaat om `manifest een kabouterplasje tegen de toren te gaan plegen' in de hoop dat die daar op de zeer lange termijn niet bestand tegen zal zijn. Bij de kabouter heeft de mislukking van eerdere daden zijn dromen nog niet aangetast, wat hij gemeen heeft met de eekhoorn, mier en olifant van Tellegen. Heytze beschrijft zijn vreemde figuren met meer ironie dan Tellegen dat doorgaans doet, maar zonder zich echt vrolijk over hen te maken.

Het verhaal van Ik ben er voor niemand heeft niet veel om het lijf: uiteindelijk duikt Egel zelfs weer bij de hoofdpersoon op – al ga je je tegelijkertijd afvragen of de held zijn Egel niet heeft verzonnen. De halfverbaasde monoloogjes over, bijvoorbeeld, de betekenis van `de groeten' of het gebruik van de uitdrukking het soepie door voetballende kinderen, zijn leuk, maar toch wel erg licht. En licht, maar absurd zijn de uitspraken van een in het boekje rondwandelende alcoholist, zoals `Jullie zouden maar beroerde drenkelingen zijn' en het fraaie: `Wat hebben de meisjes op dit terras toch een ingewikkelde borsten'

Veruit de meeste aandacht heeft Heytze echter besteed aan de beelden die hij gebruikt: zijn `prozaminiaturen' dragen nadrukkelijk een dichterlijk stempel. Dat levert veel moois op, bijvoorbeeld bij de eerste kus met Egel. `Ik boog me heel voorzichtig over mijn fiets en Egel ging op haar tenen staan, wij vormden een levend kaartenhuis'. Hoe liefdevol Heytze kan schrijven blijkt ook uit het beeld dat hij eerst schetst van de pasgeboren Egel in de couveuse en vervolgens van haar slaap als volwassene: `een dappere kleine astronaut in de omhelzing van een glazen ruimteschip. Egel sliep binnen de toegestane waarden die werden geregistreerd door de zachtjes zoemende, geruststellend bliepende meetapparatuur. [...] Na al die tijd ziet Egels gezicht er nog precies zo uit als ze slaapt. Een klein, rond, mooi maskertje dat nauwelijks merkbaar maar vastberaden doorademt. Haar hand houdt het kussen vast als een reddingslijn, een laatste strohalm die haar verbindt met het bestaan'.

Heytze schetst op die manier prachtige beelden, zij het dat hij ze vaak net te lang uitspint. Dat geldt voor het strohalm-staartje in bovenstaand voorbeeld, maar ook voor een passage waarin de ikfiguur zich afvraagt hoe ver een geur reikt, wat culmineert in `Weet het meisje dat je tegemoet fietst al dat jij de geur van koffie of worst of chloor ruikt'. Dat is mooi. Dat is af. Maar de schrijver kan er geen genoeg van krijgen: `Ruikt misschien de hele straat, het hele blok, de hele stad ernaar? Is het alleen aan deze kant van de straat, en ruikt het een meter verder weer naar iets heel anders?' En zo nog een paar zinnen voort, waardoor het fragment steeds meer verwatert.

`Kleine gedachten voor in een klein hoofd, daar moeten we naartoe', staat er tegen het einde in Ik ben er voor niemand. Dat zal de leidende gedachte van Ingmar Heytze zijn geweest bij het schrijven van dit boekje. En hij is goed op weg.

Ingmar Heytze: Ik ben er voor niemand. Podium, 116 blz. €13,50