Vriend voor schrijvers, voorbeeld voor collega's

Zijn auteurs krijgen alle tijd, journalisten worden genegeerd. Onafhankelijkheid staat voorop voor de publiciteitsschuwe uitgever Jaco Groot. Zijn vierkoppige bedrijf De Harmonie verdient miljoenen met de Harry Potter-boeken, waarvan er dit weekend 400.000 exemplaren werden verkocht. Toch blijft hij trouw aan de `moeilijke schrijvers'.

Nooit werd er van een Nederlands boek een zo omvangrijke eerste druk gemaakt als deze week. Van Harry Potter en de Orde van de Feniks, het vijfde deel uit de reeks, liggen sinds zaterdag meer dan een miljoen exemplaren in de winkel. En van al die exemplaren vloeit een paar euro naar de kas van de kleine, onafhankelijke uitgeverij De Harmonie. ,,Ik bekommer me niet zo erg om grote uitgeverijen'', aldus uitgever Jaco Groot. ,,Ik doe gewoon de dingen waarvan ik vind dat ik ze doen moet. Het is wel zo dat hoe meer fusies etc. er plaatsvinden, de mogelijkheden van De Harmonie naar verhouding groter worden.''

De uitspraken mogen niet uitzonderlijk lijken, ze zijn wel uniek. Het zijn de enige citaten van Groot in de Nederlandse pers, schriftelijk medegedeeld aan deze krant bij de oprichting van zijn uitgeverij in 1971. Want Groot mag door Harry Potter de succesvolste uitgever van het moment zijn, hij is ook een van de eigenzinnigste en zeker de meest publiciteitsschuwe. Hij vindt dat je ,,niemand een kopje koffie kunt weigeren'', maar interviews geeft hij onder geen enkele voorwaarde. En bij zo'n kopje koffie kondigt hij aan dat hij een eventueel stuk over hem en zijn werk zeker niet zal lezen. Foto's van hem zijn niet te vinden. Toen het vierde deel van de Potterreeks in 2001 de Publieksprijs won weigerde hij de trofee in ontvangst te nemen. Hij zat achterin de zaal.

Waar hij zeker niets over wil zeggen, is hoe hij de uitgever van Harry Potter is geworden. Dat verhaal heeft zich inmiddels echter wel door de boekenwereld verspreid: in 1997 las hij in een Engelse zondagskrant een interview met de toen nog onbekende J.K. Rowling waarin ter sprake kwam dat deze ooit als vrijwilliger had gewerkt voor Amnesty International. Net als Groots vrouw, Elisabeth. Daarom liet hij het manuscript, nadat hij het had opgevraagd, eerst aan zijn vrouw lezen. Haar oordeel luidde: ,,Je bent gek als je dit niet uitgeeft.'' Hoewel de fantasy van de Potterboeken zich nogal onderscheidde van de rest van het fonds van De Harmonie, kocht Groot de rechten van wat een van de grootste hypes uit de moderne uitgeefgeschiedenis zou worden. Vertaalrechten waar uitgeverij Querido eerder van had afgezien, zoals Rowling in Engeland al bij drie grote uitgevers nul op het rekest had gekregen voordat het toen nog onafhankelijke Bloomsbury wel met haar in zee wilde.

Met dergelijke anekdotes wil Groot dus niet in de krant. Die behoefte aan anonimiteit is geen pose, zeggen collega's en schrijvers die hem beter kennen. ,,Hij wil geen gesprek over De Harmonie, omdat hij de schrijvers belangrijker vindt dan de uitgever'', heette het in 1971.

Wie iets van hem te weten wil komen, kan zijn geboortejaar (1942) krijgen en de fondslijst van uitgeverij De Harmonie. Dat zou afdoende moeten zijn. Uit de lijst boeken die Groot sinds 1972 met een ijzeren regelmaat van ongeveer twintig per jaar uitgeeft, is inderdaad een aantal voorkeuren af te leiden. Zo is er een liefde voor vreemde, originele uitgaven: Wim Hazeu's Wat niet mocht, een nog steeds veel geraadpleegde censuurbijbel, Rudy Kousbroeks De aaibaarheidsfactor (met `aaibaar' omslag), Ethel Portnoy's Broodje Aap met urban legends of (in zijn tijd bij uitgeverij Thomas Rap) Bob Dylans Songbook en het legendarische vieze-moppenboekje Pudding en gisteren, waarvoor Gerard Reve het omslag maakte. Er is een schier eindeloze reeks tekenaars: onder anderen Joost Swarte, Jos Collignon, Stefan Verwey, Opland en Kamagurka. Ook zijn er de essayisten Kousbroek, Carel Peeters en Jan Blokker, de prozaïsten Biesheuvel, Dirk Ayelt Kooiman en Ian McEwan en dichters als Judith Herzberg, Hans Tentije en Jacob Groot. Zoals de meeste uitgevers werkt ook De Harmonie met een systeem van interne sponsoring: de winst haalt men uit een handvol titels, en daarmee financiert men de rest.

Met vrijwel al zijn auteurs heeft Groot in de loop der jaren een diepe persoonlijke band opgebouwd, die wordt gesymboliseerd door wat onder zijn intimi `de bruine envelop' is gaan heten: regelmatige zendingen speciaal op de persoon toegesneden krantenknipsels. Groot is een verwoed lezer van (internationale) kranten en tijdschriften en daarbij een groot knipselverzamelaar. Als hij iets tegenkomt wat hij interessant acht voor een bekende, stuurt hij het op, waarbij alleen de enveloppen in de loop der jaren soms door faxen worden vervangen. Tekenaar Glen Baxter zei ooit gekscherend in een interview te vermoeden dat De Harmonie in werkelijkheid een mantelorganisatie was voor `de knipselmultinational Groot Clipping inc.'.

Auteurs van De Harmonie vinden hun uitgever opvallend vaak `de ideale uitgever' – ze worden door Groot ook uitgenodigd in de zomer bij hem vakantie te komen vieren op een Grieks eiland. Collega-uitgevers als Joost Nijsen, Wim Hazeu en Bas Lubberhuizen, noemen hem ,,een groot voorbeeld'' om de eigenzinnige en persoonlijke wijze waarop hij te werk gaat. En hij ontwikkelt zich tot een soort éminence grise van de onafhankelijke uitgevers in Nederland. ,,We besluiten bijna elk gesprek met: we blijven zelfstandig'', zegt Bas Lubberhuizen. ,,Bij alleen al het idee van de verkoop van mijn uitgeverij vraag je je geschrokken af: wat zou Jaco ervan denken?'' En toen Arjan Weenink en Harold de Croon enkele jaren geleden Uitgeverij 521 oprichtten, stond Groot al snel bij hen op de stoep om kennis te maken. Sindsdien stuurt hij knipsels.

De miljoenenwinsten zijn Groot niet aan te zien. Collega-uitgever Joost Nijsen heeft hem ,,nog nooit in een auto gezien''. Zijn verschijning heeft niets opvallends: een lange, soms ongeschoren, vriendelijke man in een regenjas die even het Amsterdamse Nieuwscentrum Athenaeum binnenloopt om te kijken of er nog iets van zijn gading is. Een uitgever die ondanks zijn miljoenenomzet en vele internationale contacten, meer op zijn plaats lijkt op de jaarlijkse Beurs voor kleine uitgevers dan op de Frankfurter Buchmesse.

De literaire belangstelling en de ambitie van de toekomstige uitgever waren in de jaren vijftig al zichtbaar op de Rijks-HBS van Enkhuizen. Daar onderscheidde (toen nog) Jaap Groot, zoon van een land- en tuinbouwer, zich door zijn niet aflatende belangstelling voor literatuur. ,,Hij had een woeste belangstelling voor de Vijftigers, voor Campert, Lucebert en Kouwenaar'', herinnert de inmiddels gepensioneerde leraar Nederlands Hans Buma zich. ,,Dat ging gepaard met soms heel ingewikkelde verklaringen voor hun werk, maar dat hoorde er een beetje bij.'' Oud-leerling, thrillerauteur en taalwetenschapper René Appel herinnert zich Groot als schrijver en ook dichter in schoolkrant De inktmop. Appels zuster Elly zat bij Groot in de klas en ziet hem nog zo ,,in zijn montycoat Harry Mulisch terug naar de trein brengen'', nadat deze een lezing op de school had gegeven.

Na zijn eindexamen belandde Groot in Amsterdam, waar hij een baan kreeg op het kantoor van de kranten-, boeken- en tijdschriftenimporteur Van Gelderen. Dat gaf hem de gelegenheid te doen wat veertig jaar later nog altijd zijn handelsmerk is: het lezen van alles wat er maar te lezen valt in de internationale pers – en dat dan doorgeven. Hij leverde (soms onder het pseudoniem Jochem Smid) bijdragen aan het legendarische jongerenblad Hitweek en had enige tijd een rubriek met nieuwtjes in het Algemeen Handelsblad. Ook maakte hij in de jaren zeventig samen met Rogier Proper en Rinus Ferdinandusse de rubriek 't Wereldje voor Vrij Nederland. Proper: ,,Schrijven deed Jaco niet. Ik ging meestal op zondagochtend bij hem langs, dan had hij een stapeltje knipsels liggen, vooral uit Engelse kranten. Veel over strips en popmuziek, wie er een nieuwe lp had gemaakt – dat soort dingen.

Groot was toen al uitgever. In 1967 was hij begonnen bij uitgeverij Thomas Rap, eerst als ,,slungelachtige jongeman achter de paktafel die niets zei'' (Kees van Kooten), maar al snel als medefirmant. Ze gaven werk uit als de Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard van Gerard Kornelis van het Reve, het eerste boekje van Kees van Kooten en Wim de Bie uit (Lachen is gezond) en de door Groot bedachte Fotobiografie van W.F. Hermans. De samenwerking tussen de flamboyante en Bourgondische Thomas Rap (1933-1999) en de rustiger en preciezer Jaco Groot was achteraf gezien gedoemd te mislukken. Groot en Rap hebben nooit meer over hun breuk kwijt gewild dan dat het ging om een `verschil in inzicht', maar volgens auteurs en collega's was de scheiding zeer pijnlijk. De meeste auteurs kozen ervoor om Groot te volgen. Thomas Rap zette zijn uitgeverij alleen voort als Erven Thomas Rap, een naam die zijn desillusie verried.

Groot schreef onder vrienden en bekenden een prijsvraag uit voor de naam van zijn nieuwe bedrijf, die door Remco Campert werd gewonnen met het ook al veelzeggende De Harmonie. Tot op de dag van vandaag krijgt Campert een exemplaar van alle titels van De Harmonie. Ter gelegenheid van de oprichting van de nieuwe uitgeverij was Groot in september 1971 bereid enkele vragen van deze krant schriftelijk te beantwoorden. Hij wilde méér dan de overwegend kleine boekjes die Rap graag uitgaf: ,,Het punt waar het mij om [...] gaat is dat je bij het uitgeven per boek bekijkt welke `vorm' je aan de `inhoud' geeft. Dat lijkt heel vanzelfsprekend, maar als je in de boekhandel gaat kijken blijken de meeste boeken toch nog uit een soort worstmolen te komen.'' Zijn auteurs moeten een zo groot mogelijke zeggenschap krijgen.

Een van de belangrijkste fundamenten onder de uitgeverij blijkt na enige jaren de Bescheurkalender van Kees van Kooten en Wim de Bie. ,,Dat was een idee van Jaco toen we nog bij Thomas Rap zaten'', zegt De Bie. ,,De eerste jaren ging de helft door de papiermolen, maar Jaco is een uitgever die altijd doorgaat als hij iets een goed idee vindt.'' Later werd de kalender met meer dan 150.000 verkochte exemplaren in één maand tijd dat doorzettingsvermogen meer dan waard. De Bie: ,,Maar toen wij aangaven dat het op was en dat we ermee wilden stoppen, maakte hij daar geen enkel probleem van.'' Kees van Kooten (die ook bij De Bezige Bij publiceert) benadrukt hoe comfortabel het is om bij Groot te publiceren: ,,Bij grote uitgeverijen moet er altijd gescoord worden, er is vaak haast. Die druk heb ik bij Jaco nooit gevoeld.''

Groot heeft niet alleen een groot vermogen om auteurs aan zich te binden, hij ontdekt ze vaak bijzonder vroeg. Zo zocht hij contact met Ian McEwan nadat hij een verhaal van hem had gelezen in een Engelse krant. McEwan bleek zelfs nog geen Engelse uitgever te hebben; zijn eerste boek kwam tegelijkertijd in het Nederlands en Engels uit. Ruim een kwart eeuw later zou McEwan zijn met de Booker Prize bekroonde roman Amsterdam aan Groot opdragen. In interviews gaf hij een korte opsomming van zijn Amsterdam: ,,Jaco Groot, Bookshop Athenaeum, Hoppe's bar, Freek de Jonge, cafés waar het licht gefilterd door geelachtig glas naar binnen valt en waar de kranten nog aan stokken hangen''.

Op vergelijkbare wijze ontdekte Groot de tekenaar Glen Baxter in een Londense galerie voordat die een boek had gepubliceerd. Ook Baxter werd een vriend en bovendien eentje die de mystificaties rondom Groot alleen maar vergroot. Zo meldt de Index of British Illustrators dat Baxters werk in Nederland wordt uitgegeven door een sigarenhandelaar. Elders noemde hij Groot smokkelaar, pornoregisseur en haringhandelaar.

Het fonds met tekenaars als Baxter maakte dat ook latere generaties cartoonisten zich als vanzelf bij De Harmonie meldden. De jonge Kamagurka kwam in 1979 en zegt dat het sindsdien ,,geen seconde niet geklikt heeft''. Toen de makers van de nog volslagen onbekende vogelstrip Fokke & Sukke zich eind jaren negentig aanboden bij De Harmonie, bleek Groot allang een knipselmap van hen te hebben, inclusief hun werk uit de obscuurste studentenblaadjes. Na een gesprek dat werd gedomineerd door schier eindeloze anekdotes van de uitgever, toonde hij zich verbaasd dat de tekenaars het nog niet hadden begrepen: ,,Als ik mensen hier uitnodig, dan ga ik ze uitgeven.''

De miljoenen van de Potterboeken (van de eerste vier delen verkocht De Harmonie in totaal drie miljoen exemplaren) hebben Groot er niet toe verleid zijn bedrijf uit te breiden. De Harmonie bestaat nog steeds uit vier mensen. De reusachtige marketingcampagne kost de uitgeverij nauwelijks tijd: activiteiten als de aankomst van de `Zweinstein Expres', afgelopen vrijdagnacht in Rotterdam, worden georganiseerd door boekhandels en sponsors. De Harmonie heeft wel een budget om dergelijke activiteiten te ondersteunen. Ook de zeer profijtelijke merchandising van Potteralia wilde hij niet: ,,Ik kan toch geen gummetjes gaan uitgeven'', zei hij tegen Jean-Marc van Tol. Uiteraard heeft de goede neus en het succes inmiddels ook de aandacht getrokken van de grote uitgeefconcerns, waar men helemaal niet vindt dat een uitgever als Groot alleen in onafhankelijkheid kan functioneren. Mai Spijkers, directeur van PCM Algemene Boeken signaleert dat Groot zeer bedreven is in het `focussen'. ,,Dat probeer ik mijn uitgeverijen ook bij te brengen. Wat dat betreft zou hij juist een goede concernuitgever zijn. Ik zou hem er best bij willen hebben.'' Heeft Spijkers het daar ook met Jaco Groot over gehad? ,,Ik drink met iedereen weleens een kopje koffie''.

De afloop van dat gesprek laat zich raden. Volgens Bas Lubberhuizen zal Groot de Potter-miljoenen vooral gebruiken om de onafhankelijkheid van zijn bedrijf te waarborgen, bijvoorbeeld door de aanschaf van een eigen bedrijfsruimte. Er zijn ook geen tekenen dat de bijna 61-jarige Groot de pijp aan Maarten wil geven. Wim Hazeu trekt de vergelijking met wijlen Geert van Oorschot: ,,Zelfstandig, tot de dood erop volgt.''

    • Arjen Fortuin