Dit is een artikel uit het NRC-archief

Media

De nachtclub, de parkeergarage en de filmrolletjes

Vandaag veertig jaar geleden werd de Amerikaanse president Kennedy vermoord. Verslaggever Friso Endt was in Amsterdam en pakte meteen het vliegtuig naar de VS. Daar ontmoette hij in één week de verdachte Lee Harvey Oswald, diens moordenaar Jack Ruby, Martin Luther King, prins Bernhard en toenmalig prinses Beatrix.

Vandaag, 22 november, was in 1963 een vrijdag. Het was de dag dat president John F.Kennedy in Dallas, Texas werd vermoord. Omstreeks acht uur in de avond (twee uur 's middags in Dallas) is het eerste bulletin van United Press op de telex: President Kennedy has been shot at in Downtown Dallas, at Dealy Plaza.

Onmiddellijk ga ik naar de krant. Dat is dan Het Parool aan de Wibautstraat in Amsterdam. De redactie staat gegroepeerd rond de telexmachines, Reuters, UPI, AP, ANP. De hoofdredacteur, Herman Sandberg, arriveert. Chef Buitenland Leo Pam zegt dat er iemand naar de Verenigde Staten moet. Ik heb mijn paspoort op zak. Dat heb ik altijd. Omdat ik naast een contractrelatie met de krant voor het Time-Life-concern in New York en nog wat andere kranten werk. Ik heb daardoor een visum voor de VS, toevallig als enige op de krant. Nog diezelfde avond vlieg ik via Londen naar New York en vandaar naar Washington, waar ik middenin de nacht arriveer en zowaar een hotelkamer krijg. De nacht gaat voorbij, terwijl ik voor de tv zit. In dit land draait de televisie 24 uur per dag. In Nederland gaan tv en radio dan nog om 24.00 uur naar bed. Eindeloos wordt het drama van Dealy Plaza herhaald. Niet ver daarvandaan stond een zakenman, die uit het open raam van zijn kantoor alles filmt met een kleurencamera voorzien van telelens. Hij heet Abraham (Abe) Zapruder. Life Magazine betaalt er een miljoen dollar voor. Het is die film die talloze malen herhaald wordt, ook jaren later nog over de hele wereld: Kennedy, wiens lichaam naar voren klapt, Jackie Kennedy die via de achterkant van de Lincoln-limousine op handen en voeten tracht te vluchten, de Secret Service-agent die haar terugduwt, de auto die uit de file breekt op weg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. En Walter Cronkite, de wereldberoemde CBS-anchorman die met een snik in zijn stem een half uur later zegt dat de president is overleden. Later gedeelten van de vlucht met Air Force One, het presidentiële vliegtuig waar vice-president Lyndon Johnson tot president ingezworen wordt, terwijl Jackie er, de handen gevouwen, naast staat, haar zalmkleurige mantelpak onder het bloed van haar man. Ze zijn met het lichaam van Kennedy op de vlucht naar het Witte Huis in Washington, want God weet wat voor aanslagen hun in vijandelijk Texas nog wachten.

De krant! Het is zaterdagochtend in Nederland en in die tijd wordt dan de krant voor zaterdagavond geproduceerd. Ik ben te laat... Fout, niet te laat. In Nederland zijn we dan nog gewend een telefoongesprek met New York aan te vragen en een half uur of drie kwartier op de verbinding te wachten. Zo niet in de VS. Een schrijfmachine geleend bij de nachtportier, en gevraagd hoe Nederland aan te vragen. U draait de operator, u vraagt naar de international operator for the Netherlands in Europe. Het is waar, ik krijg direct een lijn en draai 020, Amsterdam. Het is een walhalla voor een journalist uit Nederland. Eerste verhaal klaar. Krijg, sneller dan ooit, de stenograaf. Alles moet altijd kort, maar nu kan het niet lang genoeg zijn, ze hebben in Amsterdam voortdurend honger naar meer, meer, meer. Eigenlijk weet ik niet zoveel, al zijn er de edities van de eerste ochtendbladen, New York Times, Washington Post enzovoort. Een goede vriend in New York gebeld, Robert Breen, de regisseur van de negeropera Porgy & Bess. Hij woont op Manhattan, in de 44ste straat, om de hoek van Times Square. Hij gaat kijken, in een uitgebluste stad, geen mens op straat, bars, cafés, theaters, nachtclubs, alles dicht en ook erg donker. In Washington niet anders. Het land rouwt.

Decorschilders

Ik wil door naar Dallas, wie kent Robert Breen in Dallas? Twee decorschilders. Als ik zeg hoe laat ik in Dallas aankom, beloven zij op het vliegveld te staan. En dat gebeurt: ik tref twee alleraardigste homo's bij de uitgang: wat Robert vraagt wordt altijd gedaan. Ze brengen me naar het plaatselijke Hilton, waar ik de gehele internationale pers vind, Engelse collega's van Londense kranten waar ik voor werk. Ze willen 's avonds naar een nachtclub, waar de eigenaar, ene Jack Ruby, meer zou weten. Hoe zij dat weer weten is me een raadsel. Maar ik ga mee, natuurlijk ga ik mee.

Eerst met mijn twee decorschilders naar de Dallas Club. Wij mogen er niet binnen, zeggen ze wat giechelend, maar jij, uit Holland, dat is okay. Daar zitten de ergste, meest conservatieve Republikeinse politici van Texas, daar moet je maar eens mee praten. Ik vind een uitgelaten gezelschap in smoking en avondjurk. So, you're from Holland, oh yes, Jack Kennedy was shot. Well, we never liked the Kennedy boys, but we didn't mean it this way. Dat is duidelijke taal.

Later die avond naar Jack Ruby's Strippers Club. Het is een smerig hol, waar een slecht gewassen dame op het toneel met haar kont draait, en zich gedeeltelijk ontkleedt. We vinden Ruby in een zijkamertje, een louche onderwereldachtige figuur. We krijgen whisky, die je niet in het openbaar mag nuttigen, en krijgen een fles in een zakje bruin papier dat onder het tafeltje wordt gestald. In het glas zit ondrinkbaar leidingwater. Ruby zegt niet veel, alleen ongevraagd dat hij Lee Harvey Oswald, de man die geschoten zou hebben vanuit een bovenetage van de bibliotheek vanwaaruit hij goed zicht had op de open limousine van de president niet kent. De Engelse collega's zitten er direct bovenop: waarom zeg je dat? Waarom zou je hem kennen?

Ruby zegt dat we nu maar beter kunnen gaan. Als we de volgende dag, zondag 24 november, in de Hilton-bar wat drinken, steekt iemand zijn hoofd om de hoek en zegt dat Oswald vanuit het politiebureau naar het huis van bewaring wordt overgebracht. Per auto vanuit de parkeergarage.

Alles spoedt zich naar de garage. Iedereen loopt er zo binnen. Het is er een chaos, ongecontroleerd, geen enkele bewaking. Er staat een dichte menigte, journalisten, gewone voorbijgangers, van alles. Opeens zie ik Jack Ruby lopen. Ik stoot een Britse collega in zijn zij: That's our Jack Ruby from last night. What the hell is he doing here? En dan gebeurt het. Een kleine, verward kijkende man komt uit een zijdeur, hij is geboeid en wordt gekflankeerd door twee rechercheurs van de Dallas Police Force: Lee Harvey Oswald. Dan duikt opeens Ruby naar voren, pistool in zijn hand. Er klinkt een doffe klap. Oswalds gezicht vertrekt in pijn, hij valt neer. Het is duidelijk, hij is stervende. De chaos is compleet. Veel geschreeuw. Ruby wordt bij zijn lurven gepakt en geboeid. Wie is Jack Ruby of beter: Jack Rubinstein? Alleen maar een louche nachtclubeigenaar? Of onderwereld? Of maffiabaasje? Of CIA-informant? Of alles bij elkaar? Want dat CIA en maffia vaak hand in hand gaan, weten we. Binnen twaalf uur verandert het journalistieke beeld in Dallas. De normale verslaggevers worden vervangen door de geharde politieverslaggevers. Voor mij is in Dallas weinig meer te doen. Voordat ik vertrek, hoor ik dat Oswald in het ziekenhuis aan zijn verwondingen is bezweken.

Geen rassenzaak

Ik vlieg naar Atlanta (Georgia) waar ik zondagmorgen vroeg arriveer. Op tijd om naar een klein negerkerkje te gaan, het kerkje van Father King, de vader van Martin Luther King. Als ik bij het begin van de dienst binnenkom, keren enkele honderden negerhoofden zich om. Een white man in hun kerk? Ik ben een duidelijke bezienswaardigheid. Maar als ik bescheiden achterin ga zitten, speelt de hele dienst zich voor mijn ogen af, veel gezang, veel `hallelujah' en gedans, vooral als Father King zijn gebed tot God richt. Na afloop kan ik in een zij-erkertje praten met Martin Luther King en zijn vrouw. Hij is geïnteresseerd als blijkt dat ik uit Dallas kom. Dit is geen rassenzaak, zegt hij. Wat het wel is, weet ik niet. En met een vooruitziende blik: misschien zullen we het wel nooit weten wie hier achter zit. 's Middags nog vlieg ik van Atlanta naar Washington, installeer me in een hotel, niet te ver van het Witte Huis.

Kennedy ligt opgebaard in de hal van het Congres, er zijn al tussen de 250.000 en 300.000 mensen langs zijn baar getrokken. En nog is het tegen middernacht niet afgelopen. De stad is vol ontroering. 's Middags accrediteer ik me bij de persafdeling van perschef Pierre Salinger voor de begrafenis. Van enige controle wie ik ben, wat ik ben, of ik wel uit Nederland kom, is geen sprake. Een Nederlandse perskaart en mijn paspoort zijn voldoende voor een badge en een nummer. Ik moet me wel de volgende morgen om acht uur melden bij de zij-ingang vanwaar ik de persafdeling kan bereiken. Daar loop je zo Pierre Salingers werkkamer binnen. Als ik daarover mijn verbazing uit, is het antwoord van een Amerikaanse collega: ,,Dit is het land van de vrijheid.' Veertig jaar later zullen we dat niet meer zeggen, na 11 september 2002.

De pers kan zich in de tuin van het Witte Huis opstellen langs een lintje dat tussen de bomen is gespannen. We kijken zo op nauwelijks honderd meter afstand naar de ingang, waar Jackie Kennedy verschijnt met aan haar hand de twee jongste kinderen. Het kleine jongetje salueert als de kist met zijn vader langskomt op een affuit, met daarachter een prachtig paard dat Jack Kennedy waarschijnlijk nooit heeft bereden maar dat het paard van de chef van de strijdkrachten moet voorstellen. Ik heb twee camera's bij me, een met telelens, geleerd van de fotografen van Life Magazine. Voor me staat de Franse correspondent van Agence France Press. Ik leg de telelens op zijn schouder en zeg: ,,Als je nu blijft stilstaan, kan ik je even als statief gebruiken.' Dat doet hij braaf en ik schiet een stel foto's.

Achter de baar volgen tal van regeringsleiders en hoogwaardigheidsbekleders. Onder hen ontwaar ik prins Bernhard en de (toenmalige) prinses Beatrix. Een adjudant van de prins zegt dat Bernhard op de ambassade logeert en daar na de begrafenis op de erebegraafplaats Arlington terugkeert, omdat hij die middag nog met een militair vliegtuig naar Soesterberg vliegt, waar zij de volgende morgen, dinsdagmorgen, zullen arriveren. Ik zie het laatste deel van de begrafenis op het tv-scherm, verslagen door het puikje van de televisiejournalistiek, zoals Walter Cronkite, David Brinkley en anderen. Na afloop pak ik een taxi naar de ambassade. Aan de deur geef ik mijn naam aan de dienstdoende marinier en zeg de prins goed te kennen. Na de Greet Hofmans-affaire is er een relatie, die duurt tot de Lockheed-affaire in het begin van de jaren '70. De prins komt de trap af, ik haal twee filmrolletjes uit mijn zak en vraag hem of die mee kunnen vliegen, dan heeft de krant als eerste niet-geseinde foto's – in die dagen is de kwaliteit van geseinde foto's nog slecht. Bernhards adjudant stopt ze in zijn zak. Als de krant de volgende ochtend om vijf uur iemand aan de poort van Soesterberg zet, kunnen ze die rolletjes krijgen.

Ik krijg de kans om nog even met Bernhard en Beatrix na te praten. Wie heeft Kennedy vermoord? Bernhard heeft met die vraag weinig moeite. Dat is natuurlijk Lee Harvey Oswald, hij is gezien, hij is een bioscoop ingevlucht, heeft ook nog een politieman neergeschoten. Ik opper iets van KGB, CIA, de conservatieve politici in Dallas. Bernhard schudt koppig het hoofd: het moet Oswald zijn.

De vragen zullen blijven

Maar Oswald kan niet meer praten. En wie is Ruby of Rubinstein?

De vragen zullen blijven. Nog maar kortgeleden is een boek verschenen van de Amerikaanse onderzoeksjournalist Gerald Posner (Case Closed: Lee Harvey Oswald and the Assassination of JFK). Hij toont aan dat nu nog de CIA de openbaarmaking van alle stukken over de moord op president Kennedy tegenhoudt of saboteert. Op 28 september 1963, aldus Posner, heeft Lee Harvey Oswald voor de sovjetambassade in Mexico City snikkend staan smeken om hem binnen te laten. Hij wilde een visum voor Cuba om Castro te waarschuwen voor een Amerikaanse invasie. Was Oswald alleen? Had hij hulp? Volgens Posner hadden de sovjetregering en de Cubaanse regering Oswald toen allang laten vallen. Dat gebeurde twee maanden voor de moord, op 28 september 1963. Het is bekend dat de CIA de toegang tot die ambassade 24 uur met camera's in de gaten hield. Het is bekend dat ook Oswalds telefoon werd afgeluisterd. Rapporten over de afgeluisterde gesprekken zijn nooit vrijgegeven, terwijl op de dag dat Oswald bij de sovjets aan de deur stond de surveillancecamera's, volgens de CIA, toevallig niet werkten.

Eind 1970 deelde de CIA de zogeheten House Select Committee on Assassinations mee dat tapes van afgeluisterde gesprekken per ongeluk waren gewist. Maar toen de CIA in 1995 200 pagina's documenten vrijgaf, doken daarin twee memoranda op, gedateerd 10 en 12 december 1963, waaruit bleek dat de CIA per toeval kopieën van de afgeluisterde telefoongesprekken van Oswald had gevonden. Waar zijn die kopieën dan, vraagt Posner zich af.

Vragen, vragen. En die blijven. Tot alles uitkomt. Want dat is meestal toch het geval.

Gerectificeerd

Film Zapruder

Het artikel De nachtclub, de parkeergarage en de filmrolletjes (22 november, pagina 24) wekt de indruk dat de film die Abe Zapruder maakte van de moord op president Kennedy, op 22 november 1963, nog diezelfde avond werd uitgezonden. Dat was niet het geval. De film die hij maakte vanaf Dealey Plaza werd voor het eerst in de rechtszaal vertoond in 1969 en in maart 1975 uitgezonden op televisie.