Voltooide emancipatie

DE AL FLINK aan de weg timmerende minister De Geus (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft het afgelopen weekeinde opnieuw van zich laten horen. Aan het slot van zijn toespraak op een manifestatie in Rotterdam ter gelegenheid van 25 jaar emancipatiebeleid zei hij dat het zijn ambitie is de speciale portefeuille emancipatiebeleid bij de volgende kabinetsformatie overbodig te maken. Hiermee geeft De Geus blijk van een nuchtere kijk. Het welslagen van emancipatiebeleid wordt niet bepaald door het al dan niet hebben van een verantwoordelijke minister of staatssecretaris. Dat wil zeggen: niet meer.

Een bewindspersoon voor een specifiek beleidsterrein kan nuttig zijn om als aanjager te fungeren. Dat gold 25 jaar geleden bij uitstek voor een onderwerp als emancipatie. De inspanningen zijn niet zonder effect gebleven. In de eerder dit jaar uitgegeven emancipatiemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau werd gesignaleerd dat op het terrein van de vrouwenemancipatie veel is bereikt. Minister De Geus zei in Rotterdam dat ,,de aanwezigheid van vrouwen op nagenoeg alle plekken van de Nederlandse samenleving nagenoeg vanzelfsprekend is''. Maar voltooid is het proces nog zeker niet. Bij betaalde arbeid is het meestal de vrouw die de kleinere deeltijdbanen vervult, vrouwen aan de top zijn in Nederland nog altijd een uitzondering en ook in de universitaire wereld is er duidelijk sprake van een schrijnende achterstand. Maar De Geus had wel gelijk met zijn constatering dat er een proces gaande is dat niet meer is te stoppen. Het zal slechts een kwestie van tijd zijn totdat vrouwen ook volop aanwezig zullen zijn op de plaatsen waar zij nu nog een duidelijke minderheid vormen.

De vraag waar de overheid voor staat, is wat specifiek emancipatiebeleid hieraan nog kan bijdragen. Op diverse terreinen zijn de afgelopen decennia maatregelen getroffen om de achterstand van vrouwen op mannen ongedaan te maken. Het ging hier in de meeste gevallen om `voorwaardenscheppende' maatregelen, zoals bijvoorbeeld kinderopvangregelingen. Nog altijd is hier de situatie verre van ideaal. Vergeleken met veel andere landen loopt Nederland qua voorzieningen nog altijd achter, maar iets anders is of een speciale bewindspersoon nodig is om deze achterstand ongedaan te maken. De kwestie van de maatvoering is immers een andere dan de maatregelen zelf.

VAN HET BEGIN AF AAN is gesteld dat emancipatie een integraal onderdeel van het totale overheidsbeleid diende uit te maken. Dat is inmiddels het geval. Wat nu kan gaan dreigen is dat het emancipatiebeleid een doel in zichzelf gaat worden. Minister De Geus heeft durf getoond door dit bij de overheid niet onbekende verschijnsel voor te zijn en zijn eigen takenpakket ter discussie te stellen. Niet omdat de emancipatie af is, maar omdat het nog noodzakelijke beleid effectiever gevoerd kan worden op afzonderlijke departementen die inmiddels vertrouwd zijn geraakt met het element emancipatie. Ook voor het emancipatiebeleid geldt: overbodigheid is het beste bewijs van het welslagen.