Satiricus kan ver gaan

Hoe ver mag een criticus van het koninklijk huis gaan met satire? Over de spanning tussen strafrecht en vrijheid van meningsuiting.

Het was niet erg beleefd dat een omstander op een fluit blies toen de oude koningin Emma met het jonge koninginnetje Wilhelmina langs kwam rijden. Meer dan dat, vond de rechtbank te Amsterdam in 1896. Dit college honoreerde het ,,uitfluiten'' met een vrijheidsstraf van drie maanden wegens majesteitsschennis.

De motivering: de koninklijke waardigheid staat zo hoog dat alles waarbij deze uit het oog wordt verloren neerkomt op belediging. Die tijden zijn voorbij. Minister Donner keek gisteren dan ook wel uit de strafwet van stal te halen bij zijn kritiek op recente satires en berichtgeving over het Koninklijk Huis. Toch is het delict majesteitsschennis wel degelijk de maatlat waarlangs zijn ontboezeming moet worden gelegd. De strafwet is niet alleen van belang om de gedragingen die hij verbiedt maar ook om wat hij níét verbiedt. Daardoor markeert hij de vrije sfeer van de burger. En daar moet zeker een minister van Justitie op bedacht zijn.

Majesteitsschennis is een speciale vorm van belediging. Deze strafbepaling beschermt niet alleen de koningin maar alle leden van het koninklijk huis. De maximumstraf is vijf jaar. Bij de beledigingsdelicten varieert de strafmaat van drie maanden (eenvoudige belediging) tot twee jaar (laster). Op het in 1980 gereviseerde delict `belediging van een bevriend staatshoofd' staat maximaal twee jaar. Op belediging van een bevolkingsgroep staat maximaal een jaar.

De juridische kern van de beledigingsdelicten is de aanranding van iemands eer of goede naam. Dat kan niet alleen door woorden gebeuren maar ook door daden. Het wetboek van strafrecht kent echter wel uitzonderingen voor belediging als een vorm van zelfverdediging of indien de verdachte te goeder trouw dacht slechts de waarheid te spreken. Ook voorziet de wet in een beroep op het algemeen belang dat strafbaarheid van uitingen kan doen vervallen.

Dit laatste herinnert er aan dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid op gespannen voet staat met de vrijheid van meningsuiting. Deze spanning is structureel, zei de Comissie-Langemeijer in de jaren zeventig in een advies over strafbaarstelling van belediging van een bevriend staatshoofd. De strafbepaling was ten tijde van de Vietnam-oorlog in opspraak geraakt door het aanpakken van leuzen als `Johnson moordenaar' tegen de toenmalige Amerikaanse president. De commissie noemde belediging een verschijnsel waarin het recht ,,grote moeite moet hebben zijn gedragslijn te bepalen''. Let op het woordje `moet'.

Terughoudendheid van de strafwet geldt in het bijzonder als het om politieke zaken gaat. ,,De grens van toegestane kritiek is ruimer als het gaat om de regering dan bij een gewone burger'', zei het Europees Hof voor de mensenrechten in 1992. Geldt dat dan ook niet voor de koningin als deel van de regering? In een zaak over het cartoonblad God, Nederland en Oranje in 1969 beriep een van de verdachten zich op een politiek motief: de financiering van het koninklijk huis. Inzet van de zaak was een cartoon waarop een kennelijk als de koningin bedoelde vrouw zoals dat heet voor het raam zat waaraan een prijskaartje van 5 miljoen gulden bengelde. Er volgde een boete van 200 gulden. Een zaak zoals die tegen een studentenblad dat de toenmalige prinses Beatrix als model voor Playboy-binnenpagina afdrukte, leverde in hoger beroep nog altijd drie weken celstraf op. Anders dan de Amerikaanse president heeft de koningin geen politieke verantwoordelijkheid.

,,Bij carricaturen en andere kunstvormen zoals cabaretliedjes zal men altijd moeten bedenken dat deze kunstproducten niet pretenderen een geheel juiste voorstelling van zaken te geven'', merkt de eerder dit jaar overleden strafrechtgeleerde J. Remmelink op in zijn commentaar op het wetboek van strafrecht. Hij sprak zelfs van een ,,exceptio circensium'', een uitzondering voor spelen. Deze zelfbedachte term bevat een verwijzing naar de tijd van de Romeinse keizers. Een waarschuwing dat heersers op eigen risico de satire, een klassieke uitlaatklep voor het volk, de mond snoeren.