Kousbroek (1)

Zouden er mensen zijn die denken dat ze verstand hebben van longziektes, omdat ze kunnen ademhalen? Toch zijn er lieden die van niets weten en even zo vrolijk geneesheer spelen. We noemen ze kwakzalvers en ze krijgen er in deze krant vaak behoorlijk van langs. Bij taal gaat dat heel anders. De opvatting `omdat ik kan praten, heb ik ook verstand van taal' blijkt onderdeel te zijn van het gedachtegoed van de beroepsintellectueel Rudy Kousbroek. Die opvatting draagt hij regelmatig uit. Zo ook in zijn stuk in het Cultureel Supplement van vrijdag 24 oktober.

Moet je iemand serieus nemen die zijn kennis over de huidige taalsituatie in Vlaanderen ontleent aan het Volkomen Frietboek van Paul Ilegems? Dat er in het Algemene Vlaamse Nederlands dramatische ontwikkelingen plaatsvinden (het Verkavelingsvlaams bijvoorbeeld), weet die Belgische frietoloog blijkbaar niet, maar onze Leidse kwakprater gelooft hem op zijn woord. We moeten, zegt hij ,,een voorbeeld nemen aan België''.

Kousbroeks andere taalopmerkingen zijn ook al op frietvet gebouwd. Hij beweert dat de profetie dat het Poldernederlands het Algemene Nederlands van de toekomst wordt, ook al op zijn retour is. Welnu, zoiets kan alleen maar gezegd worden door iemand die nooit zijn radio of tv aanheeft en nooit eens een omroepster in een station heeft beluisterd. Dat het Poldernederlands in opmars is, wordt door niemand meer betwijfeld, behalve dan door Kousbroek, maar die heeft waarschijnlijk mayonaise in zijn oren.

Dan de kwestie die door onze alternatieve taalgenezer met een citaat uit een boek van Roland Barthes wordt geïntroduceerd, de kwestie natuur – cultuur. Er is geen taalkundige die beweert dat taal een natuurverschijnsel is, ook al blijft Kousbroek dat maar herhalen, soms ook letterlijk. Dat hij ook door kan gaan met zijn misleidende voorstelling van wat in deze context onder cultuur moet worden verstaan, bewijst hoe weinig zijn lezers van taal afweten; ideaal voor een kwakzalver.

Taalkundigen bedoelen met `natuur' onder andere de menselijke neiging om slordig te articuleren of grammaticale onregelmatigheden op te heffen. Onder taalcultuur verstaan ze de corrigerende invloed van onderwijs, zelfdiscipline en een kritische taalgemeenschap. Voorbeeld: Kousbroek zegt altijd `srijven', terwijl het in het ABN toch schrijven is. Hij is dus net als veel Nederlanders van nature geneigd om een lastige medeklinkercombinatie als schr te vereenvoudigen tot sr, maar tegelijk blijkt dat hij die neiging niet onderdrukt. Als nu de hele taalgemeenschap dezelfde neiging gaat vertonen en als ten slotte de uitspraak srijven algemeen geworden is, spreken taalkundigen van een `natuurlijke' taalverandering. De taalcultuur heeft het dan moeten afleggen tegen de taalnatuur.

Volstrekt gratuit is trouwens Kousbroeks roep om een radicale verbetering van het onderwijs in het Nederlands. Beter onderwijs willen we allemaal wel, maar iedereen weet ook dat men er onvoldoende geld voor over heeft, dat er niet voldoende onderwijzers zijn en dat de opleidingen te kort schieten. Maar als dat allemaal wel in orde was, zou het nog de vraag zijn of het veel zou uithalen in onze sterk veranderende samenleving. Al die kindertjes die thuis geen Nederlands horen, zitten op hun meest taalgevoelige leeftijd in een klas met leerlingen die even gebrekkig of onvolkomen Nederlands spreken als zij zelf, terwijl de onderwijzeres nauwelijks aan corrigeren toekomt of het misschien niet eens kan. Zonder twijfel zal het Algemene Nederlands daardoor op een aantal punten behoorlijk veranderen. Daar kan geen taalkundige iets aan veranderen, laat staan een taalkwakzalver die te veel in het frietkot vertoeft.

    • Dr. Jan Stroop