Vietnam deed er eigenlijk niet toe, Irak wel

Veel mensen zien op dit moment vooral overeenkomsten tussen de oorlog in Irak en de toenmalige oorlog in Vietnam. Maar de verschillen tussen beide zijn belangrijker, meent Richard Cohen.

In 1965 hield Lyndon Johnson aan de Johns Hopkins Universiteit een toespraak gehouden onder de titel `Why we are in Vietnam'. Twee jaar later bood Norman Mailer in zijn gelijknamige boek een iets andere versie. En nu zou deze column kunnen heten: `Why we are not in Vietnam'.

Dat sommige mensen denken dat wij daar wél zitten, blijkt duidelijk uit een snelle verkenning in de Nexus-database, die alleen al in de afgelopen week achthonderd `links' geeft naar plaatsen waar de woorden Irak en Vietnam bij elkaar voorkomen. Enkele daarvan zullen wel van mij afkomstig zijn, want ook ik heb – in bepaalde, beperkte opzichten – deze vergelijking getrokken.

Een paar overeenkomsten zijn er wel. Zowel over Vietnam als over Irak werd onvoldoende open kaart gespeeld. Vietnam werd uitgelokt door het incident in de Golf van Tonkin – een aanval op twee Amerikaanse oorlogsschepen die misschien helemaal nooit heeft plaatsgevonden. De oorlog in Irak werd gerechtvaardigd door Saddam Husseins massavernietigingswapens, die massaverdwijnwapens bleken te zijn. Chemische en biologische wapens zijn er mogelijk niet, kernwapens zijn er zeker niet.

Er zijn meer overeenkomsten. Ook nu weer is het voor de Amerikaanse regering fluiten in het donker geblazen. President Bush ziet iedere nieuwe terroristische aanval als een teken van vooruitgang. ,,Hoe meer succes wij ter plaatse boeken, hoe meer deze moordenaars reageren'', zei hij onlangs. In dat geval hebben de recente gebeurtenissen de overwinning voor de Verenigde Staten binnen handbereik gebracht. Bij een reeks zelfmoordaanslagen zijn meer dan 250 Iraakse burgers gedood of gewond en is een onderburgemeester van Bagdad vermoord. Nóg zo'n week en de vijand kan het wel schudden.

Maar ofschoon de overeenkomsten met Vietnam zeker vermeldenswaard zijn, zijn de verschillen misschien toch belangrijker. Eén daarvan betreft de aard van het verzet. De Vietnamese onafhankelijkheidsbeweging was sinds lang actief, en wijdverbreid. (Ho Chi Minh had al voor onafhankelijkheid van Frankrijk gelobbyd op de Parijse Vredesconferentie van 1919.) Van de mensen achter de terroristische aanvallen in Irak – wie dat ook mogen zijn, Ba'athisten die nooit opgeven of fanatieke moslims die de kortste weg naar de hemel nemen – kun je zoiets niet zeggen. Geen van beide groepen belichaamt Iraakse nationale aspiraties.

Een ander verschil is dat Irak geen `noorden' heeft, zoals Noord-Vietnam. In Vietnam werd de landoorlog gevoerd in het zuiden; materieel en versterkingen kwamen langs de befaamde Ho Chi Minh-route uit het noorden.

In Irak kunnen aanvoerlijnen niet schuilgaan onder de etagebegroeiing van een oerwoud: het is een dor, woestijnachtig land, waar iedere geit vanuit de lucht zichtbaar is. Irak is geen Vietnam.

In zekere zin was ook Vietnam geen `Vietnam'. De communistische overwinning heeft er niet toe geleid dat in heel Azië de dominostenen omgingen. Ze heeft nauwelijks enig effect gehad. Het communisme is overal ter wereld bezweken aan zijn inefficiëntie en zijn idiote en tegenstrijdige trekken.

Tegenwoordig is Vietnam communistisch – wie maalt erom? Wie het bezoekt ervaart alleen maar een diep, treurig gevoel van verspilling. Waarvoor zijn 58.000 Amerikanen gestorven?

Irak is in zekere zin veel belangrijker. Het ligt niet aan de periferie van Azië, maar in het hart van het olierijke Midden-Oosten. Als er íets van waarheid steekt in de hedendaagse dominotheorie van de regering-Bush – dat een democratisch Irak in heel het Midden-Oosten navolging zou vinden –, dan moet het omgekeerde ook waar zijn: als het niet lukt om in Irak een min of meer fatsoenlijk regime te vestigen, zou dat consequenties hebben voor heel het Midden-Oosten.

Meer nog: een ommekeer in Irak zou aantonen – zoals in Somalië al eens is gebeurd – dat de Verenigde Staten geen echte doorzetters zijn. Vechten kunnen ze vanuit de lucht, en met nauwkeurige geleide wapens die vanuit zee worden afgevuurd, maar wanneer ze het te land voor hun kiezen krijgen zijn ze meteen uitgeteld.

Ik ben me ervan bewust dat zulke metaforen het verlies van levens verhullen: 231 in de strijd gesneuvelde Amerikanen, van wie meer dan de helft is omgekomen nadat Bush het einde van de strijd had afgekondigd. Ik ben me er ook van bewust dat dit in bepaalde opzichten niet het getal is waar het eigenlijk om gaat. Het aantal `Iraakse' doden kan, als het nog toeneemt, de grondslag worden voor een bredere opstand. Iedere gedode Irakees heeft familie, heeft een stam – `schokgolven' die zich vanuit het individu verbreiden in de gemeenschap. Daar ligt het gevaar.

`Elf september' heeft laten zien dat de wereld thans een stuk gevaarlijker is dan ten tijde van Vietnam. Het gevaar is niet alleen maar `daar', het is ook `hier'. Des te verbluffender dat de regering-Bush ten strijde is getrokken met een rammelend plan voor het vervolg, een warboel van wishful thinking die als misdadige domheid de geschiedenis zal ingaan.

Hét verschil tussen Irak en Vietnam is uiteindelijk dat het hier, anders dan in Vietnam, niet mag uitlopen op een voortijdige, chaotische, beschamende aftocht. Uiteindelijk deed Vietnam er niet toe. Irak wel.

Richard Cohen is columnist van The Washington Post.

© Washington Post Writers Group