Rondrijden in een bom op wielen

In 1992, het laatste jaar van zijn leven, doceerde Richard Yates aan de nederige universiteit van Tuscaloosa in Alabama, een erebaantje dat hem was bezorgd door zijn vriend en collega Andre Dubus. Omdat hij zich, vanwege algehele aftakeling en ademhalingsproblemen in het bijzonder, nauwelijks nog kon verplaatsen had hij een stokoude Mazda aangeschaft. Als hij achter het stuur zat nam hij om beurten een trek aan een sigaret en aan de zuurstoftank die hij permanent met zich mee moest dragen. Alle andere weggebruikers in het stadje schoten snel een zijweg in of een parkeerplaats op als ze hem zagen aankomen. Zijn studenten, die buiten zijn medeweten de Yates Task Force hadden ingesteld, een ploegendienst om de schrijver te redden uit de reeks van moeilijkheden die hij over zichzelf afriep, noemden de Mazda `een bom op wielen'.

Toch kwam Yates' einde niet in dit rijdende explosiegevaar. Dat gebeurde op de vloer van het ziekenhuis waar hij aan hernia was geopereerd. Doodsoorzaak was in feite wat een van zijn dochters een `langzame zelfmoord' noemde, en een vriend zijn `stalen toewijding tot zelfvernietiging': een leven van verwaarlozing en een dieet van liters drank en vier pakjes sigaretten per dag.

Zijn reputatie als lastpak was wijdverbreid maar leek hem zelden in de weg te zitten. Vrienden en familieleden die hem in zijn psychotische perioden, als zijn waanvoorstellingen messianistische trekken hadden, naar een ziekenhuis wisten te transporteren, konden als alles weer even achter de rug was op scheldpartijen en langdurige wrok rekenen. Schrijven was alles voor hem. Wie geen talent had, of op zijn minst zijn passie niet deelde, was in zijn ogen onbelangrijk. `Tell this dumb son of a bitch he doesn't know anything about writing!', schreeuwde hij een arts toe die hem vanwege zijn tierende gedrag weigerde op te nemen.

Het is nog maar nauwelijks drie jaar geleden dat de literaire reputatie van Yates, acht jaar na zijn dood, de impuls kreeg waar hij in zijn najaren zo op hoopte. Met de publicatie van zijn meesterwerk Revolutionary Road in een nieuwe editie (met een voorwoord van Richard Ford) en van zijn verzamelde verhalen, voor het eerst in een gebonden editie, werd een eerbiedwaardige poging tot eerherstel gedaan. Tegenwoordig is bijna al zijn werk weer in druk, en met deze omvangrijke biografie wordt een eerste, behoorlijk grondige poging gedaan het gepijnigde leven van de auteur te beschrijven.

Zijn leven lang bewonderde Yates zijn grote idool F. Scott Fitzgerald, niet alleen vanwege zijn oeuvre maar ook, al was hij daar uiteraard minder expliciet over, vanwege zijn zelfdestructieve levensstijl. Hij claimde `Old Fitzs Crack Up' wel vierhonderd maal te hebben gelezen. Het grote verschil, dat hem altijd moest pijnigen, is dat Fitzgerald al tijdens zijn leven een behoorlijke mate van succes kon incasseren en geruime tijd een leven vol glamour leidde. Het leven van Yates was nergens en nooit glamorous en succesvol, maar een lange aaneenschakeling van dronkenschap, gedwongen opsluitingen, desillusies, manische perioden en black-outs. Fitzgerald was getrouwd met de beeldschone en op haar eigen manier talentvolle Zelda, Yates eerste vrouw Sheila was een onopvallende secretaresse die nauwelijks in zijn werk geïnteresseerd was en zich hardop afvroeg of het eentonige, ruziënde leven dat ze leidden afgelopen zou zijn `als hij eindelijk eens een beroemde schrijver zou zijn'.

`The life and work of Richard Yates' is de ondertitel van deze biografie. Mijn belangrijkste probleem met het boek dat Bailey heeft afgeleverd is dat hij die twee componenten, leven en werk, zo slecht weet te synthetiseren. Zo komt de verschijning van Yates' eerste roman Revolutionary Road min of meer uit de lucht vallen en zullen we wel nooit méér te weten komen over de ontstaansgeschiedenis van deze fenomenale roman. Het probleem is natuurlijk dat de biograaf zijn onderwerp nooit zelf gesproken heeft en dat Yates ook geen dagboekaantekeningen en weinig brieven heeft nagelaten, laat staan een Crack Up à la Fitzgerald. Bailey lost dit in sommige gevallen op door facetten van het werk onverkort als autobiografische aantekeningen te beschouwen, zij het `alleen als ik goede redenen heb om aan te nemen dat de passage dicht bij de feiten blijft'.

Hoe voor de hand liggend dit ook in het geval van deze auteur mag zijn, het is een val waar biografen die zelf geen fictie schrijven wel vaker intrappen, maar die mijns inziens tot ontoelaatbare gevolgtrekkingen kan leiden. Natuurlijk gebruikte Yates zijn persoonlijke leven als materiaal (zijn hysterische, als opvoedster en kunstenares incompetente, maar altijd aandacht opeisende moeder bijvoorbeeld, maar ook de personen met wie hij omging toen hij speechwriter voor Robert Kennedy was). Maar hoe dicht het ook vaak bij zijn persoonlijke leven mag liggen, fictie is behalve een product van de herinnering ook iets waar elementen als verbeelding en stilering aan te pas komen.

Een ander bezwaar is dat Bailey, hoezeer hij ook gecomplimenteerd moet worden met de uitputtende research die hij deed, dikwijls grote moeite heeft hoofd- van bijzaken te scheiden. Yates' dronken en dikwijls stuitende escapades op de universiteiten en colleges waar hij doceerde, zijn na enige tijd niet meer van elkaar te onderscheiden en vanwege de eenvormigheid lang niet allemaal het vermelden waard. Ik krijg de indruk dat Bailey zijn afweging van wat belangrijk was in hoge mate heeft laten afhangen van wie wel en wie niet heeft willen meewerken aan deze biografie, en dat sommige bijfiguren zichzelf onevenredig belangrijk hebben gemaakt. Talloze vrouwelijke passanten krijgen hun aandeel in de levensbeschrijving en ze zijn lang niet allemaal even essentieel; er wordt, terecht, zwaar geleund op de getuigenissen van Yates' dochters, terwijl de `diepe weerstand' die Sheila Yates moest overwinnen om over haar echtgenoot te praten in het boek voelbaar is.

Desalniettemin is het een hele prestatie, om van het intens naargeestige leven van deze onmogelijke man een relaas te bouwen dat meer doet dan de lezer deprimeren. De toewijding aan zijn werk, die vooral in zijn latere, doodzieke jaren in zulk scherp contrast stond met de zorg voor zijn lichaam, is heel treffend beschreven. `He was an aching example of what an artist is, and what being an artist doesn't solve in our human predicament', schreef zijn vriend David Milch. Hij was compromisloos tot het eind en Dubus' opmerking `there is no whore in that man at all' had een passend grafschrift kunnen zijn.

Maar Yates werd gecremeerd, en zijn as rust in een verhuisdoos in de kelder bij zijn dochter Sharon. Een van zijn grootste frustraties bleef tot aan zijn dood dat de fameuze New Yorker nooit een verhaal van hem wilde plaatsen. Toen dat postuum alsnog gebeurde, ging Sharon de kelder in om de as even op te schudden, met de woorden `Way to go, Dad!'

Blake Bailey: A Tragic Honesty. The life and work of Richard Yates.

Picador, 613 blz. €44,10