Het theater van het gas

Een jaar geleden, op 23 oktober 2002, begon in Moskou de meest spectaculaire Tsjetsjeense gijzelingsactie tot nu toe. Tijdens de musical Nord-Ost in het Cultuurhuis aan de Eerste Doebrovkastraat betraden gemaskerde en bewapende mannen het toneel. De Tsjetsjenen, onder aanvoering van Movsar Barajev, eisten stopzetting van de oorlog in Tsjetsjenië en terugtrekking van de Russische troepen. De gijzeling duurde tot zaterdagochtend 26 oktober toen een Russische elite-eenheid er met grof geweld een einde aan maakte. Ze spoot een sterk gas het theater in en schoot alle gijzelnemers dood. Bij de ontruiming kwamen 129 gegijzelden om. Omdat niemand wist welk gas gebruikt was. Omdat het medisch personeel niet was voorbereid. Omdat mensen met verstikkingsverschijnselen gewoon naar buiten werden gesleept en op een hoop gegooid. Een grof schandaal, maar in Rusland wordt dit beschouwd als een succes voor president Poetin.

Net als de andere journalisten bivakkeerde Peter d'Hamecourt, correspondent van het NOS-journaal en het Algemeen Dagblad, in die dagen bij het theater. Hij ontmoette er de Rus Oleg Zjirov, die met zijn gezin in Nederland woont. Zijn vrouw en zoon zaten in het theater. Via de mobiele telefoon had Oleg af en toe direct contact met hen. Ook liet hij met zijn gsm de plotseling opgedoken Tsjetsjeen Zaoer bellen met de terroristenleider Movsar Barajev of zijn kornuiten.

De gijzeling werd gefilmd door de vaste videocamera's van het theater en de Tsjetsjenen zelf maakten opnamen van de zaal, van de rij voor het geïmproviseerde toilet in de orkestbak, van de zwartgesluierde vrouwen, van de grote bom in het midden van de zaal, van hun leider en van de opkomst van een dronken vrouw die het politiekordon wist te passeren en in koelen bloede werd doodgeschoten. Ook de dramatische ontruiming van de zaal is vastgelegd.

D'Hamecourt heeft de gebeurtenissen minutieus gereconstrueerd. Het is door het verhaal van de Zjirovs persoonlijk van toon. Natasja Zjirov overleeft de gijzeling niet, hun veertienjarige zoon Dmitri wel. Gruwelijk is het verslag van de zoektocht naar het lijk van Natasja in het mortuarium van een ziekenhuis.

Interessant is het portret van de familie Barajev. Movsar is een neef van de beruchte Tsjetsjeense rebellenleider Arbi Barajev die op 24 juni 2001 door de Russen werd gedood. Movsar poseert in het theater als een gelovig moslim en de hele actie, met de ongebruikelijke aanblik van de vrouwelijke martelaars, wordt gepresenteerd als een onderdeel van de jihad. Maar oom Arbi was een grote crimineel, die schatrijk werd dankzij de in Tsjetsjenië bloeiende gijzelindustrie. De vrijheidsstrijd in Tsjetsjenië heeft zulke maffiose trekken dat het voor Poetin makkelijk is de wandaden van het Russische leger te maskeren. De bevolking is daarbij het slachtoffer van beide partijen.

Het boek van d'Hamecourt roept één vraag op, over de rol van Zaoer. In zijn begrijpelijke wanhoop gebruikt Oleg Zjirov de jonge Tsjetsjeen om via de gsm contact te leggen met de terroristen. Voor hem zijn alle middelen geoorloofd, het gaat immers om leven en dood van zijn familie. Maar halverwege de gijzeling begint Zaoer ook de Russische geheime dienst FSB op te vallen. Hij wordt gearresteerd en is inmiddels wegens medeplichtigheid tot de niet misselijke gevangenisstraf van acht jaar veroordeeld. Had d'Hamecourt, die in deze kwestie ook door de Russische geheime dienst is verhoord, in de gaten welk risico de jongen liep?

Peter d'Hamecourt: Rusland in gijzeling. De dramatische afloop van de musical Nord-Ost.

Mets & Schilt, 250 blz. €20,–