De Winnen of verliezen

DE AMERIKAANSE minister van Defensie, Rumsfeld, voorspelde onlangs zijn hoogste medewerkers in een intern (en uitgelekt) memorandum de eindoverwinning in Irak en Afghanistan, maar alleen na ,,een lange, harde kloppartij''. ,,Winnen of verliezen we de oorlog tegen het terrorisme?'' vroeg de bewindsman zich af in een openhartig briefje aan zijn chef-staf, generaal Myers, en onderminister Wolfowitz, de man die zondag een aanslag op zijn hotel in Bagdad ternauwernood overleefde. Hij had geluk. Bij een serie daaropvolgende terreuraanslagen kwamen ten minste veertig mensen om het leven. Zwaar getroffen werd vooral het hoofdkwartier van het Rode Kruis in Bagdad.

Rumsfelds vraag over winnen of verliezen is actueler dan ooit. Een duidelijk antwoord is vooralsnog niet te geven. Op papier zijn de Verenigde Staten de evidente winnaars. Zij beschikken over goedgetrainde troepen en het beste materieel. Maar de praktijk van de guerrillaoorlog is weerbarstig, zo leren de lessen uit het verleden, en dat wordt nu in Irak andermaal ervaren. De prijs voor de zege, als Amerika die behaalt, is hoog. Rumsfeld heeft gelijk met zijn uitlating dat het nog een lang en hard gevecht zal zijn. En kostbaar, kan daaraan worden toegevoegd. Het memo van de minister vormt een zeldzame kijk in officieuze stukken; in uitlatingen over de oorlog die nu eens niet doordrenkt zijn van de gebruikelijke stroom propaganda. Het laat impliciet zien hoezeer de strijd in Irak en Afghanistan zich ongunstiger ontwikkelt dan de Amerikanen, en velen met hen, zouden wensen.

Extra zorgwekkend aan de terreur is dat deze zich niet alleen tegen de VS richt, maar ook tegen het Iraakse volk en internationale (hulp)organisaties. Vers in het geheugen ligt de ontploffing in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Bagdad. De verantwoordelijkheid van instellingen als de VN en het Rode Kruis voor zowel hun aanwezigheid in het gebied als voor de veiligheid van hun personeel is immens. Eens zal het een kwestie van kiezen of delen worden – als de aanslagen niet stoppen. Het feit dat de VN bij resolutie een belangrijkere rol in Irak krijgen, vergroot het dilemma slechts. Steeds duidelijker wordt dat het Iraakse vraagstuk geen exclusief Amerikaans probleem is. De prominente aanwezigheid van de VN en van de internationale troepenmacht, waaronder elfhonderd Nederlandse militairen, zou het tot een voorrangskwestie voor veel meer regeringen moeten maken. Het wegkijken van Frankrijk, Duitsland en Rusland begint langzaamaan gênant te worden.

TERRORISTEN ZAAIEN angst en hopen op de anarchie die ze aldoende proberen te kweken. Hun bommen ontregelen het leven in Bagdad en daarbuiten. Voor veel Irakezen en voor grote delen van de publieke opinie in de wereld is het simpel: de puinhoop in het land groeit. Het ziet er inderdaad grimmig uit, maar niet genoeg kan worden onderstreept dat Amerika en zijn bondgenoot Groot-Brittannië een einde hebben gemaakt aan een dictatoriaal bewind en dat zij op talloze plaatsen verbeteringen tot stand brengen, voor het dagelijks leven én voor wat eens een fatsoenlijke democratie moet zijn. Hun aanwezigheid is een absolute noodzaak voor ordehandhaving en het doorvoeren van hervormingen.

Succes is niet gegarandeerd. Irak is geen eenheid – als land noch als natie. Het is de vraag of die eenheidsgedachte politiek kan worden afgedwongen, en zo ja wat daarvan de gevolgen op termijn zijn. Hoe sneller dit complexe geheel een proces van het Iraakse volk zélf wordt, begeleid door de VN en een stevige internationale vredesmacht, hoe beter het is.