Witte Huis heeft de leugen tot norm verheven

President Bush heeft niet alleen gelogen over `Irak', steeds meer Amerikanen beséffen dat hij gelogen heeft. Dat zal zijn populariteit in november 2004 niet ten goede komen, meent Mark Hertsgaard.

De les van ieder presidentsschandaal in de moderne Amerikaanse geschiedenis is dat een president niet struikelt over zijn wandaden, maar over zijn pogingen ze te verdoezelen. Nixon en Watergate, Reagan en de Iran-Contra-zaak, Clinton en Monica Lewinsky – ze hadden allemaal de schande kunnen vermijden als ze hun misstappen meteen hadden toegegeven, want dan had het land hen vergeven en was iedereen overgegaan tot de orde van de dag.

George W. Bush maakt nu dezelfde fout. Net als zijn voorgangers heeft Bush het probleem dat hij het Amerikaanse volk heeft voorgelogen en de vraag die boven de toekomst van zijn presidentschap hangt is of hij dat zal moeten toegeven.

Clinton en Reagan redden hun presidentschap door hun fouten op de nationale televisie te bekennen. Als doorgewinterde politici besloten ze beiden de tijdelijke schande van het boetekleed te verdragen om hun baan als machtigste man op aarde te behouden. Maar Bush lijkt in tempera-

ment meer weg te hebben van Richard Nixon, die tot het bittere eind van Watergate vasthield aan de steeds twijfelachtiger bezweringen van zijn onschuld en dan ook uit zijn ambt werd gezet.

Evenals Nixon heeft Bush besloten bij zijn verhaal te blijven, wat er ook gebeurt. Hij verzet zich tegen de opsporing van het lek in zijn regering waardoor de identiteit van CIA-agente Valerie Plame naar buiten kwam. En hij heeft onlangs samen met een aantal hoge functionarissen besloten tot een hernieuwde propagandacampagne inzake Irak waarvan het achterliggende motto lijkt te zijn: vertel dezelfde leugens nog een keer, maar dan luider. Door dit soort onbeholpen crisismanagement zal het Witte Huis alleen maar dieper in de problemen raken.

Het probleem waar Bush voor staat is dat de propaganda waarmee hij de oorlog met Irak heeft verkocht hem gaandeweg begint te achtervolgen. En het Witte Huis pakt deze uitdaging niet goed aan doordat de ideologische verblinding het zicht op de werkelijkheid wegneemt. Dat is een beroepsgevaar voor leugenaars: ze gaan in hun eigen leugens geloven.

De regering-Bush verwijt de media dat ze het Amerikaanse volk misleiden omtrent de vele positieve ontwikkelingen die in Irak inmiddels gaande zouden zijn. Maar geen enkele propaganda van het Witte Huis kan íets veranderen aan het feit dat elke maand tientallen Amerikaanse soldaten sneuvelen, nog eens tientallen gewond raken en tienduizenden veel langer dan verwacht van huis worden gehouden, met als gevolg spanningen in privé-levens, geschade carrières en onvrede bij de legergezinnen die (in het algemeen) tot Bush' trouwste aanhang behoren. Intussen heeft David Kay, de met zorg gekozen expert van de regering-Bush, in Irak nog geen massavernietigingswapens gevonden.

Steeds meer gewone Amerikanen zien in deze ontwikkelingen het bewijs dat Bush de redenen voor de oorlog heeft overdreven en ten onrechte een snelle, gemakkelijke overwinning heeft beloofd. Daarmee is een beslissende drempel in dit schandaal overschreden: niet alleen heeft de president gelogen, maar steeds meer Amerikanen, in en buiten Washington, beséffen dat hij heeft gelogen.

Voor het eerst sinds het aantreden van Bush is er de laatste weken een aanhoudende stroom kritische berichtgeving (in plaats van nu en dan een negatief verhaal). De Amerikaanse pers heeft zich niet tegen Bush gekeerd omdat de journalisten opeens moed hebben gevat, maar omdat de media in Washington de mening van de politici in Washington weergeven en steeds meer van die politici een gevoel van onbehagen krijgen over de menselijke, financiële en politieke kosten van de Amerikaanse bezetting van Irak. Essentieel is dat de kritiek uit het hele ideologische spectrum afkomstig is. Naast de gebruikelijke progressievelingen hebben ook Democratische haviken als John Murtha om het aftreden van minister van Defensie Donald Rumsfeld gevraagd, terwijl de Republikeinen mekkeren over de uitgave van 87 miljard dollar voor de wederopbouw van een land met de op één na grootste oliereserve ter wereld.

Maar Bush zou de storm gemakkelijk tot bedaren kunnen brengen. De oplossing komt regelrecht uit het handboek damage control: speel op de televisie open kaart met het Amerikaanse volk, zodat je het schandaal achter je kunt laten. Bush zou niet echt hoeven toegeven dat hij gelogen heeft. Maar hij moet wel laten merken dat hij de groeiende kritiek hoort, de gemaakte fouten betreurt en van plan is nauwer samen te werken met de rest van de regering en de buitenwereld om de toestand in Irak te herstellen. Ook zou hij waarschijnlijk een zondebok moeten offeren voor het Plame-lek, om te laten zien dat hij een inbreuk op de nationale veiligheid waar zelfs conservatieven zich aan hebben geërgerd niet in de doofpot zal stoppen.

Dat zou de verstokte tegenstanders van Bush niet tevredenstellen, maar dat hoeft ook niet. Het doel zou zijn dat Bush zijn steun in het wankelende centrum verstevigt, want het centrum bepaalt doorgaans de loop van de Amerikaanse politiek. De enige andere ontsnapping is dat er een wonder gebeurt – dat het door oorlog verscheurde Irak plotseling verandert in een vredesparadijs waar de Amerikanen meer worden toegejuicht dan uitgescholden.

Bush hoeft niet bang te zijn dat hij wordt afgezet; daar zijn de Democraten te bedeesd voor. Waarschijnlijker is dat een aanhoudende kritiek uit beide partijen tot een nog negatievere berichtgeving zal leiden, waardoor de populariteit van Bush in november 2004 nog lager zal zijn. Voeg daarbij een massale ontevredenheid over zijn economische herstel zonder banengroei, en de Texaan zou als president wel eens op één termijn kunnen blijven steken, mits de Democraten een aantrekkelijke kandidaat tegen hem inzetten.

Mark Hertsgaard is onder meer de schrijver van The Eagle's Shadow: Why America Fascinates and Infuriates the World.