Zwak voor Nederland

Is het nog mogelijk van Nederland te houden? In een week waarin de topman van Albert Heijn in het belangrijkste actualiteitenprogramma op de televisie mag komen uitleggen dat een pak Appelsientje nu nergens zo goedkoop is als bij hem, in een week waarin de treiterijen van een groep Marokkaanse jongens zoveel nationale woede en paniek veroorzaken dat een multicultureel Armageddon niet ver meer kan zijn, een week bovendien waarin de politiek massaal de economische crisis en de politieke vernieuwing opzijschoven om zich beter te kunnen concentreren op de afbraak van de monarchie in zo'n week dringt die vraag zich aan je op met een wanhopige urgentie.

Houden van Nederland dat lijkt alleen nog te kunnen door middel van ontwijking of ontkenning. Er wordt al een tijd collectief terugverlangd naar een Nederland dat allang niet meer bestaat. Vooral wordt er veel herdacht, van de watersnood tot de VOC. En na Kruimeltje, Pietje Bell, Ja Zuster, Nee Zuster en de Kameleon wordt nu ook nog Floris gerecycled; in Nederland, lijkt het, worden kinderfilms vooral voor ouders gemaakt.

Maar wat wanneer ook het laatste jeugdsentiment hernomen is, wanneer het laatste stukje ongerepte natuur in Vroege Vogels besproken is, wanneer heel die droom van een simpel en overzichtelijk en onbezoedeld Nederland vervlogen is? Nationale nostalgie is een teken van onmacht, een bewijs van onvermogen om je te engageren met het hier en nu.

Vreemd is dat je dat onvermogen ook aantreft bij de critici die hun liefde voor Nederland hoog in het vaandel voeren. De Nederlandse neoconservatieven die sinds een jaar of wat de opiniepagina's van de kranten en omslagverhalen van populistische weekbladen vullen met hun ferme taal, lijken bezeten door het idee van Nederland, dat nu eindelijk eens verdedigd moet worden tegen linkse waan en multiculturele achterlijkheid, dat zijn grondwaarden moet leren koesteren, paal en perk moet stellen aan de algemene morele verloedering in die bevrijdende visie is de vermoorde Anja Joos een vieze junk die kreeg waarom ze vroeg en vormen haar moordenaars het definitieve bewijs van het multiculturele melodrama.

Dat soort liefde bedoel ik niet. Die liefde is me te veel een mengeling van benepenheid en permanente verongelijktheid, waarbij ieder incident gebruikt wordt om het vuur van de nationale onvrede hoger op te stoken, een liefde die zich alleen kan uiten door middel van humorloos moralisme en smetvrees voor alles wat zich voorbij het tuinhek afspeelt.

Wat voor liefde bedoel ik dan? Niet het verdwaasde nationalisme van de voetbaltribune, niet de oprispingen van leefbaarheid of plaatselijke uitbarstingen van verbeten regiotrots. Nederland is klein genoeg om in zijn geheel te overzien maar wie lukt het dit land te bevatten er een gevoel op na te houden voor het Nederland als geheel, zonder je ogen te sluiten voor wat er allemaal mis is, zonder de hete hangijzers van multiculturele misverstanden uit te weg gaan, zonder naïef en sentimenteel te worden?

Joris van Casteren is het gelukt. In zijn boek De man die 2 1/2 jaar dood lag; berichten uit het nieuwe Nederland, dat afgelopen week verscheen, bundelde Van Casteren (1976) een aantal reportages die hij schreef voor De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Het zijn prachtige verhalen over de verwarrende realiteit achter alle beleidsnota's en principiële stellingnames op de opiniepagina's, hilarische observaties over hoe in Nederland goede bedoelingen steeds weer stuklopen op de weerbarstige werkelijkheid.

Een kleine greep: Koerdische asielzoekers die worden ingezet bij de perenpluk in de Betuwe, de Marokkaanse jeugdbende van station Lelylaan die wordt afgetroefd door een halfjoodse freefighter, Urkse vissersjongens die op zondagochtend na een nacht doorhalen stijf van de alcohol en cocaïne naar de kerk gaan, een opstand van liefhebbers van de streekroman tegen een bibliothecaresse, een vrouw die even buiten Valkenswaard de stigmata krijgt, een Turkse imam die zich in Veendam inschrijft voor een inburgeringscursus (schoolhoofd Hidding, de aangewezen inburgeringsbuddy, na een uitvoerige rondleiding door de school tegen zijn imam: ,,Jij hebt aantekeningen gemaakt, wat ga je met die aantekeningen doen?'' De imam: ,,Als je de kinderen goed plant, oogst je er later van.'') En dan is er nog wat Van Casteren de otter-illusie noemt, een krankzinnig, geldverslindend en tot hopeloos mislukken gedoemd project om de otter in Nederland terug te krijgen waarvoor eerst heel het land verbouwd moet worden, om de `migratieroute' tussen de `otterkerngebieden' te bewerkstellingen (,,Links in de verte is een spoorlijn te ontwaren: knelpunt 97. Deze laatste barrière in de verbinding is voorlopig onopgelost en dat zal nog enige tijd voortduren gezien het budget van Railinfrabeheer. Achter de spoorlijn ligt de dijk: knelpunt 114. Na veel studie heeft het Hoogheemraadschap Uitwaterende Sluizen er op veilige hoogte een pijp doorheen durven slaan.'')

Bij elkaar vormen Van Casterens reportages een vlijmscherp portret van het hedendaagse Nederland. Het had gemakkelijk de zoveelste aanklacht kunnen zijn, een fortuynistische polemiek tegen ambtenarij en bestuurlijke verkalking, de tigste-afrekening met de zelfgenoegzame humanistische illusies van de multiculturele samenleving. Dat is De man die

2 1/2 jaar dood lag niet; het boek is hilarisch en tegelijk nietsontziend, maar Van Casterens ingehouden droog-komische stijl behoedt hem voor de humoristische agressie van de schrijvende cabaretier.

Er is zit een vreemd soort liefde in dit boek, een onuitgesproken liefde voor het Hollandse gesjoemel, het naïeve pragmatisme tegenover de grote wereld (Theo Vogelaar van Fruits BV, die Koerdische asielzoekers heeft ingezet om zijn conferencepeer tijdig te kunnen plukken, probeert het ijs te breken: ,,Zeg, hoe heet die stad ook weer, waar Saddam zo huisgehouden heeft met dat zenuwgas? Hebben jullie daar gewoond?''). Veel van de reportages in deze bundel zijn een soort maatschappelijke slapstick, vol lukrake agressie en destructieve misverstanden, vol idiote logica en onbegrepen hartstocht. Maar Van Casteren is vrij van die Hollandse doodzonden, neerbuigendheid en smalende afkeer. De mensen die hij portretteert zijn menselijk in hun onvermogen, heroïsch in hun pogingen er het beste van te maken.

Misschien is liefde een te groot woord. Van Casteren heeft een zwak voor Nederland en Nederlanders, een ironisch mededogen met het vallen en opstaan van mensen in een wereld die ze allang niet meer kunnen overzien. De man die 2 1/2 jaar dood lag is een onweerstaanbaar liefdevol portret van een vreselijk land.