Programma's waren bijzaak

Behalve de Philips-directie, die de toestellen wilde verkopen, was er eigenlijk niemand die de televisie graag zag komen. De rooms-rode regering niet, die het volk tijdens de wederopbouw niet op extra kosten wilde jagen en ook een beetje beducht was voor de mogelijke zedenverwilderende gevolgen. De kranten ook niet. `De televisie profiteert van de aangeboren gemakzucht van de mens', wist de NRC in 1950. En de omroepen evenmin. `Televisie is financieel niet haalbaar', vatte de VARA de bezwaren samen, `en het is zelfs de vraag of de televisie ook sociaal en pedagogisch verantwoord is.' Dat het nieuwe medium op 2 oktober 1951 toch zijn intrede in Nederland deed, had dan ook weinig met enthousiasme te maken – de druk van Philips was eenvoudigweg te groot om het nog langer tegen te houden.

Maar achteraf bezien was er nog een ander aspect dat de ontwikkeling van de televisie in dit land veel langer heeft belemmerd, constateert Leo Akkermans in zijn boek Televisie. Want waar kwam de eerste generatie programmamakers vandaan? Vooral van de radio – en nauwelijks uit de journalistiek of uit de filmwereld, de twee terreinen waarmee de televisie logischerwijze het meest verwant is. Het gevolg was dat er aanvankelijk vooral radio met plaatjes werd gemaakt. En van enige opleiding voor het nieuwe vak was evenmin sprake. Men moest het zelf maar in de praktijk leren, weet Akkermans uit de eerste hand. Hij kwam in 1960 bij de KRO werken, en kreeg pas na drie jaar toestemming voor een stage bij de BBC. Maar zijn chef zei: `De directeur is van mening dat dit een uitje is, en eigenlijk vind ik dat ook!'

Deze desinteresse had alles te maken met de verzuiling. Het omroepbelang was groter dan het belang van het medium. De algemene NTS (de huidige NOS) mocht aanvankelijk alleen met goedvinden van de omroepen iets uitzenden. Er moest dan ook heel wat worden vergaderd voordat in 1953 de kroning van de Britse koningin Elizabeth op de Nederlandse tv-schermen kon verschijnen. Zo ging de KRO `slechts schoorvoetend' akkoord; het betrof hier immers een anglicaanse kerkdienst. En toen er in 1956 eindelijk een Journaal begon (driemaal per week ongeveer negen minuten), werd de hoofdredacteur verplicht wekelijks aan de omroepen mee te delen welk nieuws hij de komende dagen dacht uit te zenden. Nog in 1995 zei de toenmalige KRO-voorzitter Gerrit Braks: `Waarom zijn wij tegen het gemeenschappelijk brengen van nieuws? Nieuws is identiteit. Zo eenvoudig ligt dat.'

Maar de belangrijkste verdienste van Akkermans' relaas, waarin het al vaker geschreven geschiedenisverhaal soms wat ongemakkelijk samengaat met zijn inzichten van binnenuit, ligt in de analytische manier waarop hij een ander gevolg van de verzuiling beschrijft. Aan den lijve heeft de intussen gepensioneerde tv-regisseur gemerkt dat de programmamakers en de omroepen vaak tegenstrijdige belangen hebben gehad. Waar het de makers altijd om de programma's ging, gaat het de omroepen om hun eigen voortbestaan – en dat is lang niet alleen afhankelijk van wat ze uitzenden. Voor de meeste omroepbestuurders zijn de programma's ondergeschikt aan het bestaansrecht van hun vereniging. `Programma's stonden eigenlijk nooit op de agenda, behalve als er kritiek was', concludeert Akkermans.

Dat er nooit veel affiniteit met de programmamakers is geweest, bleek al in 1961, toen een NCRV-dominee zei: `De televisiemensen komen voor het merendeel niet uit onze kring. We hadden er geen mensen voor. Dat is wel een zwak punt, want nu zijn er personeelsleden die romantisch en idealistisch zijn aangelegd, maar die geen positief standpunt hebben.' De gevolgen van die houding laten zich tot op de dag van vandaag gelden.

Leo Akkermans: Televisie. Beginjaren van een nieuw beroep. Boom, 224 blz. €19,90