Brecht tussen de marionetten

Een beetje kinderachtig was het wel van de jury van de prix Goncourt. Twee weken eerder dan aangekondigd kenden ze afgelopen dinsdag plotsklaps hun prijs toe, nog vóór ze met hun laatste shortlist waren gekomen. Literair Frankrijk was onvoorbereid, het boek was nergens te krijgen, en de laureaat zelf, Jacques-Pierre Amette, dacht dat het om een grap ging.

De jury van de Goncourt heeft op deze manier de andere drie grote prijzen (de Prix de l'Académie Française, de Prix Femina en de Prix Médicis) vóór willen zijn, zodat ze zelf een `vrije keuze' uit de kandidaten konden maken. De verklaring van de jury-voorzitter kwam erop neer dat de Goncourt nu eenmaal de belangrijkste literaire onderscheiding is, en dat het zonde voor Amette zou zijn als hij die zou mislopen omdat hij al een andere prijs had ontvangen. Want hoewel het wel eens is voorgekomen dat er meer prijzen naar dezelfde roman gingen, is dat niet gebruikelijk. De andere jury's, wier keuze hiermee beperkt is, waren uiteraard verbolgen.

Het is niet voor het eerst dat er gekrakeel is tussen de verschillende jury's die zich gedragen als elkaars concurrenten, en er bestonden zelfs afspraken om afwisselend als eerste te komen. Dat de Goncourt die afspraken nu schond, heeft waarschijnlijk niet zozeer te maken met een enorme behoefte om juist Amette te bekronen, maar vooral met het feit dat dit jaar de honderdste Goncourt wordt uitgereikt. Op deze manier wilde de jury nog íets verrassends doen met de honderdjarige prijs.

De winnaar zelf verrast namelijk niemand. Amette is een oudgediende van de literatuur, al sinds dertig jaar criticus bij Le Point, en auteur van twintig romans, (waaronder recentelijk een zwarte komedie over het wereldje van de literaire prijzen). Kwade tongen beweren dat Amette zó graag de Goncourt wilde krijgen, dat hij zelfs met dat oogmerk van uitgever wisselde. Van het weinig prominente Seuil verhuisde hij naar Albin Michel, een van de vier uitgevers waar de Goncourt vrijwel altijd heengaat.

Wat is dat voor boek, dat zo nodig bekroond moest worden? La maîtresse de Brecht is een verdienstelijke maar niet spectaculaire roman over Bertolt Brechts naoorlogse periode in Berlijn. De meester keerde in 1949 na een ballingschap van 15 jaar terug naar Duitsland, vol ideeën over het theater van de straat dat hij zou gaan maken. Van de Oost-Duitse regering kreeg hij ruime middelen om zijn plannen te realiseren en een theater te maken `zonder dromerigheid. Het licht koud en hard', zoals hij het zelf samenvat. Amette's roman is gelardeerd met mooie dramaturgische en politieke uitspraken van Brecht, wiens `anachronistisch marxisme' al spoedig in botsing kwam met de officiële eis van een `degelijke proletarische kunst, gezond en nuttig als een stevige stoofpan, een kruiwagen of een hamer'.

Maar het gaat Amette, een kenner van de Duitse cultuur die eerder al over Hölderlin en Kleist schreef, niet alleen om een portret van Brecht en diens ambities. Ook is het een beschrijving van het naoorlogse Oost-Duitsland, wat een enigszins voorspelbaar beeld oplevert van lijmlucht en grijze regenjassen, ronkende kolenkachels en stapels stoffige dossiers. In dat decor beweegt zich ook de breekbare actrice Maria Eich, die zich op aanbeveling van de geheime dienst laat verleiden door Brecht. Ze fotografeert zijn paperassen terwijl hij zich wast na het vrijen, en overhandigt haar fotorolletjes aan een agent, die al spoedig op zijn beurt verliefd op haar wordt. Naarmate we deze Hans Trow leren kennen, blijkt dat er weinig verschil is tussen acteurs en regeringsagenten: allen zijn het `marionetten en hoeren'.

Terwijl de Koude Oorlog steeds kouder wordt, Brechts hartkwaal verergert en de liefde tussen Maria en haar Hans onmogelijk blijkt, verandert het boek van sfeer. In plaats van in het mica-zwarte Berlijn zijn we plots tussen de zomerse berkenbomen op het platteland. Nostalgie en dromerigheid voeren dan de boventoon, en wat uiteindelijk blijft hangen is niet het (fictieve) verhaal van de spionne Maria Eich, maar een onbestemde weemoedigheid waar alle personages aan lijden. Het verleden krijgt `onrustbarend veel reliëf', en iedereen, zelfs de Stasi-agent, lijdt aan een pijnlijk gevoel van leegte en verlies. Hoewel Amette sterk is in het schetsen van die ontheemde sfeer, raakt het verband met Brecht, Oost-Duitsland en het theater een beetje zoek. Naarmate de personages melancholieker worden, worden ze ook universeler. De eenzame Maria en Hans hadden overal kunnen ronddolen, en die berkenbomen hadden overal kunnen staan. Amette probeert te veel tegelijk in zijn roman, dat daardoor niet het meesterwerk geworden is dat de haast van de Goncourt-jury had kunnen rechtvaardigen.

Jacques-Pierre Amette: La maîtresse de Brecht. Albin Michel, 234 blz. €18,50