Op Parnassus

De kattenverhalen van Paul Marijnis op de Achterpagina zijn gebundeld. Ter gelegenheid van het verschijnen van `Het licht in de kattenbak' vandaag een afscheidsstukje.

Om vijf uur op een mooie augustusmiddag gooide ik mijn potlood uit het raam en verplaatste mijzelf naar een terrasje in de binnenstad. Het was er vrij stil. Mijn stoeltje stond voor het open raam en binnen, maar op gehoorsafstand, zaten twee Britten: de jongen een graatmagere brildrager, het meisje, half in de schaduw, met een bleek gezichtje, lang haar en een boekje in de hand.

Tegelijk met mijn bier arriveerde de dichter P., gedekt door een strohoed en met een koffiewens. Wij begonnen een van die prettige twistgesprekken.

Al pratend keek ik rond en jawel, daar was hij: de kat Beaucoup. Beaucoup is een statige cyperse kat, helaas iets te dik, wat getuigt van zijn vaardigheid in het bietsen. Ik groette hem hartelijk en hij sprong prompt op ons tafeltje, dat gevaarlijk wiebelde. P. krieuwelde het dier onder de kin en verviel in kattenspraak. ,,Zozo, wat ben jij een mooi en deftig beest! Jij bent geknipt voor burgemeester.'' Enzovoort.

Ik bleef niet achter en liet zijn staart door mijn vingers glijden, dezelfde infantiele kletspraat lozend als P. ,,Een fraai dier'', zei P. ,,Wist je dat katten uitnemende poëziecritici zijn?''

,,Jazeker. Ik geef niets uit handen zonder toestemming van mijn kat.''

Plotseling klonk een luid geraas; een scooterrijder stopte voor het terras, ging naar binnen zonder het knallende, ronkende motortje af te zetten.

Beaucoup schrok van het kabaal. Hij deinsde terug en stiet met zijn dikke kont tegen mijn glas, dat omver tuimelde en leegliep in mijn kruis. Ik uitte een zeer krasse vloek, sprong overeind en begon op futiele wijze mijn kletsnatte broek van mijn bovenbenen los te trekken, het bier met servetjes deppend, maar ging, de nutteloosheid van mijn gedrag inziende, tenslotte maar weer zitten.

Ik geef toe dat P. zich goed hield. De hartelijke schaterlach die in hem opwelde, bereikte zijn gezicht niet; ik zag alleen een zeker amusement achter zijn brillenglazen.

,,Wat doen die lui toch?'' zei de Engelse jongen achter ons. Het meisje klonk verveeld. ,,Buitenlanders. Ze plagen die kat.''

,,Kijk eens'', zei P. ,,Katten zijn poëziekenners. Beaucoup heeft alleen even laten zien dat hij jouw werk toch net iets minder hoog aanslaat dan het mijne.''

Ik glimlachte. ,,Je mist de pointe. Het is andersom. Dit is zijn manier om te zeggen dat ik achter de werktafel hoor en mijn tijd niet moet verdoen met minor poets. Hij wil mijn nieuwe bundel afhebben.''

P. lachtte met huiveringwekkende zorgeloosheid. ,,Wat spijtig dat ten onzent ook de iets hoger opgeleiden zo weinig van katten begrijpen.'' Hij had nog meer op zijn hart, maar Beaucoup zag hoe iemand verderop een broodje ham bestelde. Hij sprong zo bruusk op de grond dat P.'s koffie omtuimelde. Nu was hij degene die opsprong, zijn Schepper lasterend en aan zijn broek trekkend, want de koffie was heet.

,,Clowns'', zei het meisje. ,,Begrijpen niet dat de bedoeling van poes is, hen op weg naar huis te confronteren met het Nederlandse publiek. Dat ziet zijn dichters als ongeremde zelfbevlekkers, vieze mannen die het in hun broek doen. Dat is de boodschap van de kat. Weten zij veel.''

P. en ik wisselden een blik. ,,Betreurenswaardige illusie'', zei P. ,,De boodschap is, dat de ware dichter zich van het publiek geen zier aantrekt. Ik geef toe: jij en ik gaan straks spitsroeden lopen door gewijs, en geginnegap. Misschien gejoel. Niets kan ons deren. Wij hervatten ons werk.''

,,Bijna juist'', zei ik. ,,Wij zullen worden neergezet als een paar dolgedraaide zaadlozers. Maar de boodschap is niet: ons daarvan niets aan te trekken. Beaucoup brengt ons met de voeten terug op de grond. Hij geeft ons stof, hij wil over onze beproeving lezen. Wij moeten van ons leed kunst maken.''

P. knikte nadenkend, toen uit het open raam de bekakte Engelse meisjesstem ons weer bereikte. ,,Wat jammer van die mensen. En blanken nog wel! Niets snappen ze ervan. De boodschap van de dikke kat reikt veel dieper. Hij probeert, met inzet van zijn totale persoonlijkheid, deze twee losers uit te leggen wat hun lot is: als dichters zullen ze in dit land hun hele leven spitsroeden lopen, en wat zij ook schrijven, nooit zal het publiek hen anders zien dan als mallotige gedrochten, die zich op de tv vertonen om uitgelachen te worden. De kat openbaart hen de toekomst. Maar ja, leg ze dat maar eens uit. Ik spreek hun taaltje niet en niemand hier brengt iets anders voor de dag dan een soort Negerengels.''

P. en ik stonden op, draaiden om en keken haar aan.

,,Amice'', zei P. met bronzen stem, zijn strohoed afnemend en tegen zijn borst drukkend, ,,de poëzie buigt voor niemand. Maar het voegt ons beiden, te buigen voor een waarachtig maestro.''

Wij negen eendrachtig het hoofd. Zij gaf een onverschillig knikje. Daarop gingen P. en ik ieder ons weegs, het publiek tegemoet. Toen ik omkeek, zag ik Beaucoup onder een tafeltje zitten met een plak ham in zijn bek.

Paul Marijnis: Het licht in de kattebak. Ill. Ita Jansen. De Arbeiderspers, 128 blz. €12,50