Europese grondwet

Tijdens de Europese Raad in Brussel op 16 en 17 oktober liep de discussie over de Europese grondwet opnieuw vast. Grootste struikelblok was wederom het stemgewicht van de verschillende lidstaten in de Raad van Ministers. Spanje en Polen weigerden zich neer te leggen bij het voorstel dat in de Conventie, onder leiding van de Franse oud-president Giscard d'Estaing, tot stand was gekomen. De discussie over de stemverhouding draait om de vraag hoe de macht tussen de grote en de kleinere EU-lidstaten verdeeld wordt. De grote lidstaten willen meer macht en wijzen ter rechtvaardiging van die claim op hun grote inwoneraantal. De kleinere lidstaten zijn bang dat ze in dat geval iedere reële invloed op het beleid van de EU verliezen.

De Britse wiskundige Lionel Penrose kwam in 1946 al met een elegante oplossing voor dit probleem: hij toonde aan dat het aantal stemmen per land gelijk zou moeten zijn aan de wortel van het inwoneraantal van dat land.

Zijn oplossing is eenvoudig uit te leggen: één Nederlandse kiezer heeft meer invloed op de samenstelling van de Nederlandse regering dan één Duitse kiezer op de samenstelling van de Duitse regering. Er zijn nu eenmaal meer Duitse dan Nederlandse kiezers. Om de invloed van iedere Europese kiezer op de Europese besluitvorming uiteindelijk even groot te laten zijn, moet het stemgewicht van Duitsland in de EU groter zijn dan dat van Nederland. Penrose bewees dat het aantal stemmen per land in dat geval exact gelijk zou moeten zijn aan de wortel van het inwoneraantal van dat land.

Dat het voorstel van Penrose geen luchtfietserij was, bleek tijdens de Europese Raad van Nice in 2000. De Zweedse regering, gesteund door Finland, stelde daadwerkelijk voor de wortelfunctie in te voeren bij de verdeling van de stemmen in de Raad van Ministers.

Het voorstel van Penrose is, in tegenstelling tot de huidige stemverdeling, objectief, flexibel en wetenschappelijk onderbouwd. Het biedt een oplossing voor het grootste institutionele probleem waar de EU momenteel voor staat: hoe wordt de macht tussen de grote en de kleinere lidstaten verdeeld? Zonder helder antwoord op die vraag zal het onderlinge wantrouwen tussen de grote en de kleinere lidstaten blijven bestaan.