Dit is een artikel uit het NRC-archief

Beeldende kunst

Betekenisvolle sculpturen van hoopjes afval

Jimmie Durham, een Cherokee indiaan geboren in Washington in 1940, werd eind jaren tachtig internationaal bekend met pseudo-etnografische, fetisjistisch aandoende beelden en objecten. Zoals versierde dierenschedels en grote, vogelverschrikker-achtige poppen gemaakt van afvalmateriaal – ongeveer zoals we ons `Indianenkunst' voorstellen. Of de uitlaat van een auto, vrolijk beschilderd en getransformeerd tot een cultus-object van Indianen, en een slipje gemaakt van rode veren en kralen, getiteld Pocahantas' Underwear. Durham bekritiseerde met deze beelden primitivistische en kolonialistische tendensen in het westers gedachtengoed.

Toen Durham in 1963 begon met het vervaardigen van kunstwerken wist hij helemaal niets van kunst; de eerste tentoonstelling die hij ooit zag was van sculpturen van de Pop Art-kunstenaar Claes Oldenburg in 1967. Van 1968 tot 1973 studeerde hij aan de kunstacademie van Genève. Hij leerde daar, zoals hij zegt, dat kunst iets serieus is, iets wat de moeite waard kan zijn om je bestaan aan te wijden. Tegelijkertijd was hij actief in de mensenrechtenbeweging voor indianen. Durham omschrijft zichzelf als beeldend kunstenaar, schrijver, dichter en mensenrechtenactivist. Hij maakt geen onderscheid tussen zijn activisme en zijn kunst.

Durham wil middels zijn kunst niet alleen de gevestigde machtsstructuren bekritiseren. Het is hem evenzeer te doen om een kritiek op de vrijblijvendheid van het postmodernisme. Hij beoogt met zijn werk een zo groot mogelijke verwarring te stichten, zodat er ruimte komt om na te denken over een eigentijdse, betekenisvolle kunst. Die verwarring wil hij creëren met kunstwerken die gefragmenteerd en onaf zijn, en die een mengeling zijn van verschillende tradities.

In 1994 verhuisde Durham naar Europa. Hij woonde onder andere in Marseille, Brussel en Berlijn. Kunst is een Europese uitvinding, aldus Durham, en hij wil aansluiting vinden bij die wonderbaarlijke Europese kunstgeschiedenis. Hiertoe gooide hij in artistieke zin het roer om. Sinds 1994 is de problematiek van etniciteit minder duidelijk aanwezig, en zoekt hij naar een hedendaagse, internationale beeldtaal, overigens zonder zijn achtergrond te verloochenen.

Het GEM in Den Haag toont nu een overzicht van Durhams Europese werk. Interessant is dat Durham zelf het initiatief heeft genomen tot deze tentoonstelling. Hij volgt hiermee een oud gebruik van de Cherokee indianen. Vroeger konden vreemdelingen als gelijkwaardig burger onder Cherokees worden opgenomen als ze zeven jaar bij hen hadden geleefd en de taal geleerd. `Leren praten', noemden de Cherokee indianen dit inburgeringsproces. Voor Durham is het dus heel vanzelfsprekend, zegt hij, dat hij na zeven jaar Europa een presentatie geeft van zichzelf, als een soort verslag. De tentoonstelling in het GEM is Durhams proeve van bekwaamheid, met het doel om mee te kunnen praten in het Europese kunstdebat.

Durham toont zo'n 120 schilderijen, tekeningen, objecten en installaties. Hij werkt nog steeds met allerlei gevonden materialen, van plastic buizen en rivierkeien tot kinderspeelgoed. Loodgieterssculpturen van PVC-pijpen en kraanslangen, kledingstukken tussen marmeren platen, sculpturen van hoopjes afval, glasscherven op een theedoek op een plankje dat op ooghoogte aan de muur is bevestigd – er is van alles te vinden op de tentoonstelling van Durham. Titels en teksten spelen hierbij een belangrijke rol. Een ijzeren bed dat bezwijkt onder het gewicht van een blok graniet heet A stone asleep in bed at home. Op een schilderij met een horizontale tweedeling van monochrome vlakken, waar op de horizonlijn blauwe stenen zijn geplakt, staat geschreven: Azurite. This stone comes from Brazil where Indians have no human rights. En een koelkast die overal deuken heeft omdat hij bekogeld is met stenen heet St. Frigo.

Het is een vreemde gewaarwording om tussen dit alles door te lopen. Je komt uiteenlopende stijlen en clichés van de kunst uit de afgelopen dertig jaar tegen, van remakes van Marcel Broodthaers, Lucio Fontana en Arman tot adaptaties van Joseph Beuys, Giovanni Anselmo en Georg Herold. Als het Durhams bedoeling is om zijn publiek door middel van een soort lexicon van de hedendaagse beeldende kunst een spiegel voor te houden, waarin een reusachtige postmoderne zeepbel is te zien, dan is hij daar volledig in geslaagd. Zijn tentoonstelling is één grote ontrafeling van de kunst. Durham heeft de taal van de Europese kunst vloeiend leren spreken.

Maar er knaagt iets. Want Durhams hele onderneming is een negatieve definiëring van wat kunst tegenwoordig is. De beschouwer blijft zitten met de beklemmende vraag: wat zegt Durham dat niet al honderden keren is gezegd? Welk beeld schept hij zélf, met andere woorden, wat heeft Durham toe te voegen aan de kunst?

Tentoonstelling: Jimmie Durham, From the West Pacific to the East Atlantic. Tm 11 jan in het GEM, Stadhouderslaan 43, Den Haag. Di t/m zo 14-22u. Inl: 070-3381133 of www.gem-online.nl.