Tegen de lorrige student

Jan Veldhuis (65) was achttien jaar lang collegevoorzitter van de Universiteit Utrecht. Hij was getuige van de massale toestroom van studenten als gevolg van de basisbeurs maar bleef in weerwil van het PvdA-emancipatie-denken altijd voorstander van selectie. Deze maand neemt hij afscheid. Portret van een universiteitsbestuurder pur sang. `Ik vond het uitermate beroerd de bitse bal uit te hangen.'

In het vroege voorjaar van 1998 vergaderde minister Ritzen van Onderwijs met de dertien collegevoorzitters van universiteiten in het kantoor van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in Utrecht. Het eerste kabinet Kok was in zijn nadagen. Ritzen hield er rekening mee dat het CDA na de verkiezingen weer zou gaan regeren, zo liet hij de vergadering weten. ,,Mijn opvolger zit daar.'' Hij wees naar de andere kant van de tafel. Daar zat Jan Veldhuis, collegevoorzitter van de Universiteit Utrecht en prominent CDA-lid. Die trok zijn wenkbrauwen op.

,,Dat Veldhuis geen minister werd, was uitsluitend te wijten aan de verkiezingsnederlaag van het CDA'', zegt Jeroen Torenbeek, vriend van Veldhuis en directeur van het Bureau Buitenland van de Universiteit Utrecht. ,,Hij was er klaar voor. Hij had een grote kennis van het onderwijs en hij had gezag, op het departement, in het CDA en bij universiteitsbestuurders.''

Ed d'Hondt, voorzitter van de VSNU: ,,Hij is de éminence grise onder de voorzitters. Dat komt door zijn combinatie van wijsheid, ervaring en betrokkenheid. Een spin in het web.'' Torenbeek: ,,Toen hij geen bewindsman werd, zei hij: `Makkers, luister. Ik blijf met evenveel plezier hier'. Dat heeft hij gedaan.''

Het is een donderdagochtend in september 2003, half negen, en Veldhuis zit achter zijn bureau op de vijfde verdieping van het bestuursgebouw, tegenover zijn twee secretaresses. Alledrie op het randje hun stoel. Ochtendoverleg. Op het bureau staat een bosje herfstasters uit de tuin van secretaresse Jacomine. ,,Gezellig!'', zegt Veldhuis. ,,Hij gaat dit nog heel erg missen'', zegt Jacomine even later. ,,De vaart waarmee elke werkdag begint.''

Jan Veldhuis (65) is met achttien jaar de langst zittende collegevoorzitter. Onder zijn bewind werd de Universiteit Utrecht met 23.716 studenten de grootste van Nederland. Hij was betrokken bij de oprichting van het University College Utrecht voor een select clubje excellente studenten in 1996 en de opleidingen economie, fiscaal recht en bestuurskunde. In 2001 haalde Veldhuis het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geo-wetenschappen naar Utrecht.

Op 1 november gaat Jan Veldhuis met pensioen. ,,Hoelang moet jij nog?'', vraagt directeur-generaal VROM, Hans Pont, aan Veldhuis bij zijn eigen afscheidsreceptie deze week. ,,Op de kop af een maand'', antwoordt die, ,,dan ga ik bevallen.'' Een maand in de nabijheid van Veldhuis als universiteitsbestuurder. Zijn laatste maand.

Hoofd der school

Een Veldhuis-zin klinkt zo: `Hoe ingewikkelder de materie is, hoe meer die omhuld dient te worden met procedurele garanties' (VSNU-vergadering, 17 september). Hij e-mailt nooit, schrijft brieven in een gelijkmatig jaren-veertig-handschrift en laat die e-mailen. Hij schrijft memoranda aan zijn medewerkers, als hij met grote precisie hun beleidsstukken corrigeert. In een boekje noteert hij in piepkleine schrijfletter bijzonderheden van zijn gasten: verjaardagen, namen van kinderen.

Zijn rug is kaarsrecht, zijn tred jongensachtig. Zijn lichtgrijze pakken combineert hij altijd met een universiteitsdas. En voordat iemand anders op het idee is gekomen, heeft hij het omslagartikel van het laatste nummer van Management Team al voor de hele afdeling gekopieerd: `De comeback van de controlefreak'. Is hij een controlefreak? ,,Van mij is bekend dat ik overmatig geinteresseerd ben in details.''

,,Hij is een man van ordelijkheid en procedures'', zegt collegelid Wim Kardux. ,,Hij is het hoofd der school, met alle pedagogische opwellingen die daarbij horen. Altijd bezig met opvoeden.''

,,Je wordt gék van de details'', zegt Willem Hendrik Gispen, rector, quasi-geïrriteerd. ,,Hij leest alles en hij wil het allemaal vastleggen. Het geschreven woord is de waarheid. Daarom is het hier geen rotzooi.''

Tijdens een collegevergadering zegt Veldhuis: ,,Ik probeer consistentie in onze besluitvorming te krijgen.''

Veldhuis en Gispen lopen over de Kromme Nieuwegracht in Utrecht naar de sociëteit van de studentenvereniging Veritas. Als student geschiedenis was Veldhuis in 1963 preses van die vereniging. ,,Nog steeds is hij preses van alle studentengezelligheidsverenigingen'', zegt Gispen. ,,Ze raken bij hem een nostalgische snaar, terwijl hij als bestuurder formeel kan zijn, de wettelijke verhoudingen binnen de universiteit kent hij als geen ander.''

Vorig jaar raakten Veritas en Unitas in opspraak toen eerstejaarsstudenten bij de ontgroening niet mochten drinken, niet naar de wc mochten en bruistabletten moesten eten. Omdat drie achtereenvolgende jaren excessen bij Veritas waren gemeld, trokken de universiteit en de Hogeschool van Utrecht de jaarlijkse subsidie van 59.000 euro in. Het bestuur van de vereniging mocht niet meer aanwezig zijn op universitaire hoogtijdagen.

Veldhuis noemt dat moment het pijnlijkste in zijn carrière. ,,Dat je je eigen studenten zo tot de orde moet roepen, is bitter. Ik houd van een feestelijke omgang, nu stonden we tegenover elkaar. Dat vond ik emotionerend.''

Deze donderdagavond – de ontgroeningstijd is net voorbij – biedt Veritas het college een verzoeningsdiner aan. De fluwelen gordijnen van de bestuurskamer zijn gesloten, terwijl het buiten nog licht is. Er branden kaarsen. De vier jongens en meisjes uit het bestuur in driedelig pak, lepelen stil het voorgerecht: avocado met garnalen. Preses Marjolein Kort spreekt voor de juliennesoep een tikkeltje nerveus over ,,een hard jaar''. Ze geeft Veldhuis als afscheidscadeau een pentekening van de sociëteit van Veritas.

In zijn antwoord wijst Veldhuis naar Gispen: ,,Hij behoorde tot de strenge vleugel, maar wij waren unisono dat het zo niet langer kon.'' Hij houdt even zijn adem in. ,,We vonden het uitermate beroerd om de bitse bal uit te hangen. Mijn vriendjes van Veritas zeiden: wat ben jij een klootzak!'' Dat het bestuur dit jaar ongesubsidieerd is doorgekomen, noemt hij ,,een grandioze prestatie''.

Buiten begint het te regenen. Gispen neemt de schuld op zich. Hij noemt zichzelf ,,de boeman die de roede niet wilde sparen''. Veldhuis vertelt de preses op fluistertoon ontgroeningsverhalen uit zijn tijd, toen Veritas nog op audiëntie ging bij kardinaal Alfrink. Ineens ontdekt hij een zegelring aan de hand van een van de vrouwelijke bestuursleden, een studente verpleegkunde. ,,Dat is een geheime sociale stratificatie'', zegt hij. ,,Zegelringen worden gedragen op het corps, niet bij Veritas. De leden van het corps komen uit een ge-arriveerd milieu, spelen eerder hockey dan voetbal en studeren aan een klassieke universiteit. Het zijn de restanten van een milde klassensamenleving.''

Om tien uur rijdt Ko Goris, chauffeur van Veldhuis, de zilvergrijze Renault Safrane voor. ,,Het moest een Franse auto zijn voor Veldhuis'', zegt hij. ,,Die hebben een veel betere vering dan een BMW of Mercedes.'' De dienstauto trekt op richting Dom. Het regent nu hard. Drie dagen later schrijft Veldhuis in een brief aan de Utrechtse burgemeester Brouwer en de sponsors van Veritas: ,,de ban is opgeheven''.

Selectie, geen massaliteit

Als hij over zijn studenten spreekt, noemt Veldhuis zich ,,een goed huisvader''. Daarmee bedoelt hij dat hij streng is en consequent. Hij eist discipline. In 1994 was hij de eerste universiteitsbestuurder die hardop zei dat de examenpakketten van havo en vwo verzwaard moesten worden, omdat de universiteit werd opgezadeld met massa's pretpakketstudenten door de invoering van de basisbeurs. Toen daarop de eindexameneisen voor havo- en vwo-leerlingen werden verzwaard, bemoeide hij zich persoonlijk met de invulling van de profielen op het vwo – in elk profiel wiskunde.

Zeven jaar geleden signaleerde hij vooral in de maatschappij- en geesteswetenschappen de opkomst van ,,lorrige studenten'', die niet naar college gaan en eindeloos hertentamens doen. Met ingang van dit collegejaar is er in Utrecht een aanwezigheidsplicht ingesteld en kan een student slechts één keer herkansen.

De dag na het diner bij Veritas ontvangt Veldhuis universitair statisticus Onno Möller. Onderwerp: het niveau van de vwo-leerling is gestegen dankzij de invoering van de profielen. Wat betekent dat voor de instroom in de universiteit? Veldhuis: ,,Ik hoop aan het einde van mijn carrière een positief bericht naar buiten te kunnen brengen.''

Möller: ,,Het lijkt erop dat vooral de vwo-leerlingen met een bètaprofiel naar de universiteit gaan.''

Veldhuis: ,,Die bètaprofielen zijn aanzienlijk zwaarder dan de bètapakketten van voorheen.''

De statisticus legt de cijferreeksen naast elkaar en concludeert: ,,In 1993 ging 63 procent van de vwo-leerlingen naar de universiteit. In 2002 is dat 74 procent.''

Veldhuis: ,,Maar de HBO-Raad beweert dat steeds meer vwo'ers naar het hbo gaan.''

Möller: ,,Het aantal hbo-leerlingen daalt juist weer.''

Veldhuis: ,,Er komen dus niet alleen méér studenten, ze zijn ook beter opgeleid. Dat is een mooie conclusie.''

De voorzitter noemt zijn chauffeur en leeftijdsgenoot meneer Goris. Rector Gispen, die ook wel eens door hem wordt gereden, zegt: ,,Ha, Ko!'' en ,,Noem me alsjeblieft Willem Hendrik.'' Dat vindt Goris moeilijk. Hij houdt van duidelijke verhoudingen. ,,Als Veldhuis in de auto stapt, gaat de koffer open. Hij belt niet, hij werkt. Bij het uitstappen, vraagt hij: `Hoe gaat het met u?' Toen mijn ouders overleden, schreef hij me een brief.''

Op 2 januari 1986 om kwart over zeven stond Goris voor het eerst voor Veldhuis' deur in de Roucooppark in Voorschoten. De nieuwe voorzitter bleef wonen waar hij woonde, al klonk er in de universiteitsraad luide kritiek op de dienstauto. Veldhuis: ,,Ik zei: ik ga niet verhuizen. Voor mijn gezin niet, voor mijn zoons niet. Die zaten nog op school. Ik trof in Utrecht een nogal aangeslagen universiteit aan.

,,In veertien jaar tijd waren er acht collegevoorzitters aan- en afgetreden. Ik zou de negende zijn. Als directeur-generaal op het ministerie van Onderwijs wist ik dat Utrecht een moeizame, in zichzelf gekeerde instelling was. Het risico dat ik er na anderhalf jaar zou worden uitgedonderd, was groot.''

De eerste vier jaren waren zwaar. ,,Slecht geslapen toen'', zegt Veldhuis. Er was een begrotingstekort van 40 miljoen gulden. Leden van de Universiteitsraad schreven de collegeleden ,,vijandige brieven''. Elke uitgave moest eerst met de Raad worden besproken. Er werkten achthonderd ambtenaren op het bureau van de universiteit. Toen het college in 1988 een voorstel voor bestuurlijke vernieuwing presenteerde – met gedwongen ontslagen – werd het bestuursgebouw bezet. ,,Ik kwam 's morgens aan en ik kon er niet in. Dat was heel fors.'' Het werk werd gestaakt. Het college spande een kort geding aan en won.

Veldhuis zelf typeert ook dit voorval als ,,een dieptepunt'' in zijn Utrechtse carrière. ,,Een uitzondering'' noemt Wim Kardux het optreden van Veldhuis om de staking te breken. ,,Hij is niet iemand van harde beslissingen en scherpe koerswijzigingen. Veldhuis' adagium na een kabinetsbesluit is: `niet sikkeneuren, tijdig veranderen'. Een voorbeeld is de bachelors- en mastersstudie. Die is in Utrecht van bovenaf ingevoerd, naar Amerikaans model.''

,,Hij staat bekend als de verzoener'', zegt Jeroen Torenbeek van Bureau Buitenland. ,,Het is moeilijk om na zoveel jaren je bindende bestuursstijl te veranderen. Laatst vroeg hij me: `Hoe zal het onder mijn opvolger gaan?'. Ik antwoordde: `Als er een conservatieve paus sterft, volgt een progressieve hem op. Als een beminnelijke paus sterft, volgt een straffe hem op. Na jou komt iemand met een autocratische, solitaire stijl'.''

Op 12 september wordt bekend dat de Tilburgse collegevoorzitter Yvonne van Rooy, voormalig CDA-staatssecretaris van Economische Zaken, Veldhuis zal opvolgen. Veldhuis knikt als hij op de benoeming reageert. ,,Ik heb al jaren gedacht en tegen enkelen gezegd dat Yvonne een perfecte voorzitter voor Utrecht zou zijn.''

Wandelstok

De ambassadeur van Portugal, Joa Guerra Salgueiro, komt over een half uur op werkbezoek. Er heerst opperste concentratie op de `vijfde'. Veldhuis loopt al lezend zijn kamer in en uit. Gemiddeld vijf keer per jaar ontvangt hij een nieuwe ambassadeur. Tot vanochtend was onzeker of dit bezoek door zou gaan. Guerra wilde plotseling de faculteit Diergeneeskunde bezoeken, terwijl de vakgroep Portugees zich had voorbereid op zijn komst. ,,Dan komt hij maar niet'', zei Veldhuis gistermiddag nog.

De lift stopt, Veldhuis staat stil. Daar is de ambassadeur, een kleine man met een wandelstok.

,,I'm in a hurry'', zegt Veldhuis als hij Guerra een hand heeft gegeven. Hij legt de eerste sheets met cijfers op de overheadprojector: oprichting van de Universiteit Utrecht 1636. Tweederde van het budget is afkomstig van de overheid, de rest, 200 miljoen euro, van externe opdrachtgevers – dat is vergelijkbaar met andere universiteiten. Utrecht is verbonden met elf Nobelprijswinnaars.

,,Binnenkort twaalf'', zegt rector Gispen. ,,Voordat Veldhuis vertrekt, draag ik hem voor voor de Nobelprijs voor de Vrede.''

Veldhuis tikt ongeduldig met zijn hand op zijn mouw. Hij krijgt een boek over pelgrimsreizen aangeboden. ,,Heeft u het al?'', vraagt de ambassadeur. Veldhuis schudt zijn hoofd. Na afloop wijst Jeroen Torenbeek, die ook bij de presentatie aanwezig was, naar het boek: ,,Zet je dat naast de andere twee?'' Veldhuis lacht. Twee jaar geleden kreeg hij van de vorige Portugese ambassadeur hetzelfde cadeau. ,,Nee, ik kon met eerlijkheid zeggen dat ik er geen had, want ik geef ze altijd weg.''

Torenbeek: ,,Die presentatie was gruwelijk. Veel te veel informatie. Dat moeten we zo niet meer doen.''

Veldhuis: ,,Oh ja? Hoe dan?''

Torenbeek: ,,Korte inleiding. Wat grapjes op zijn tijd. Als Guerra zich goed voorbereidt, komt hij zelf wel met vragen.''

Tijdens de lunch, later die dag, zegt de ambassadeur dat hij heel graag de faculteit Diergeneeskunde had willen zien. Veldhuis kijkt stuurs voor zich uit. ,,Omdat ik van honden en paarden houd'', benadrukt Guerra. Veldhuis heft het glas op de vriendschap. Aan de andere kant van de tafel zit Gispen. Zijn mondhoeken staan omlaag.

Op 10 oktober komt de president van de universiteit van Peking naar Utrecht, meldt secretaresse Jacomine. ,,Even handje schudden'', zegt Veldhuis. Dat is een begrip. De voorzitter heeft het te druk voor een uitgebreide ontvangst. Een hand kan er net af. ,,Vijf minuten plus lunch'', noteert ze.

,,Ik ben driehonderd dagen met Veldhuis op reis geweest'', zegt Jeroen Torenbeek later. Samen hebben ze een internationaal netwerk opgezet voor de uitwisseling van studenten en wetenschappers met andere universiteiten in Europa, Amerika en China. ,,De eerste keer dat we samen naar Berkeley gingen, vertelde hij de president van Berkeley heel kort iets over de universiteit in Utrecht. `Voor de rest verwijs ik u naar mijn directeur Buitenland', zei hij. Ik was laaiend.''

,,We zijn nu zo op elkaar ingespeeld dat we vertrouwen en eenheid uitstralen. Met Berkeley spraken we dit voorjaar af dat tientallen mastersstudenten een programma hard sciences bij ons komen doen. In ruil daarvoor kunnen wij een groep afgestudeerde letterenstudenten daarheen sturen.''

Creativiteit, noemt Veldhuis dat. Torenbeek: ,,In het begin schreef hij lange brieven met verwachtingen, nu zit hij te improviseren. Een kunsthistoricus aan de Rutgers University klaagde dat de Hollandse meesters niet meer in het programma zitten, omdat de kennis ontbreek. Veldhuis keek mij aan en zei: `Dan sturen we elk jaar twee maanden een kenner van de 17de eeuw'.

,,In Florida bereidden we een lezing voor over de veranderingen in het Europese hoger onderwijs. We verschenen samen op het podium in driedelig krijtstreep en trokken als tapdansers tegelijk ons jasje uit. `Dat gaat gezellig bij jullie', zei de directeur. `Met jullie wil ik wel zaken doen'.''

Een week later zit Veldhuis bij de Vereniging van Universiteiten in Utrecht, als voorzitter van de stuurgroep onderwijsaangelegenheden. Hij bereidt een vergadering voor, met secretaris Jacques Houben. Hier wordt de strategie bepaald. Op Houbens koffiemok staat Jacques. Belangrijkste agendapunt: minder universitaire studierichtingen. Dat zijn er nu, de opleidingen van dertien universiteiten opgeteld: 205. Het moeten er met de invoering van de bachelorstitel honderd worden.

De economische opleidingen zijn al van 28 teruggebracht tot acht. ,,Er is meer verschil in naamgeving dan de inhoud rechtvaardigt'', zegt Houben. Dat vindt Veldhuis mooi gezegd. Twee struikelblokken: 1. De talen zijn noodlijdend. Die kunnen niet zomaar worden geschrapt. Vooral de Universiteit Leiden zal moeilijk doen, verwacht Veldhuis. Die ontleent haar reputatie aan de talen en is in studentental in tien jaar van de derde naar de zesde plaats gegaan. 2. Kleine universiteiten als Twente en Wageningen hebben al niet veel opleidingen. Zij kunnen in hun voortbestaan worden bedreigd.

,,Als voorzitter moet je richtinggevend zijn'', zegt Veldhuis. ,,De leden willen bestuurlijk gegidst worden.'' Een week later gaat de stuurgroep akkoord met het voorstel van honderd studierichtingen.

,,Je moet luisteren, analyseren en jezelf vooral niet overschreeuwen in een vergadering. Dat is arrogant. Besturen is het beheersen van je emotie. Ik ben een rationalist. De enige manier waarop het menselijk dier greep krijgt op zijn omstandigheden is door rationeel te zijn. Ik ben een bewonderaar van Spinoza. Hij zei: `de emotie houdt op emotie te zijn zodra wij van haar een helder idee vormen'.''

Ed d'Hondt, voorzitter van de VSNU: ,,Je ziet Veldhuis bij de voorbereiding van een heikel onderwerp afstand nemen. Hij zeeft de emotie eruit. Maar soms willen mensen geen afstand, ze willen een verschil van mening niet relativeren, maar uitspreken. In de moderne manier van omgaan past zijn gedistingeerde houding niet altijd.''

Verboden onderwerp

Willem Hendrik Gispen strooit zout in de wonden. Steeds als daar ook maar enigszins aanleiding toe is, noemt hij het ,,verboden onderwerp'': het vertrek van de voorzitter. Tijdens de opening van het academisch jaar in de Domkerk, tijdens het diner bij Veritas, tijdens het bezoek van de Portugese ambassadeur. ,,Er moet een eind aan komen'', antwoordt Veldhuis dan. ,,We moeten voorkomen dat het emotioneel wordt, maar ik zal de universiteit missen.'' En dan buldert hij: ,,Zo is het leven.''

Afgelopen woensdag nam Hans Pont afscheid. Hij was tot voor kort directeur-generaal Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. In het Johan de Witthuis in Den Haag staan zo'n veertig heren van middelbare leeftijd in een krijtstreeppak. Voornamelijk hoge ambtenaren van VROM en VWS. Jan Veldhuis kent Pont van Midas, een discussieclub waarin behalve zij beiden onder anderen ook Maria Henneman zit, hoofdredacteur van Netwerk en Cees van Woudenberg, lid van de raad van bestuur van KLM.

Veldhuis is de enige onderwijsman in het gezelschap. Toch voelt hij zich thuis tussen VVD-fractievoorzitter en feestredenaar Van Aartsen (,,Wel een somber verhaal had je, Jozias''), werkgeversvoorman Schraven en inspecteur-generaal voor de volksgezondheid Herre Kingma.

De Fries Kingma wil de universiteit van Franeker – die per decreet op 22 november 1811 werd opgeheven – in ere herstellen. ,,Kun jij me daarbij helpen, Jan?''. Veldhuis suggereert de oprichting van een University College, een topopleiding zoals die in Utrecht is opgericht. ,,Binnenkort krijgen we bezoek van een Friese gedeputeerde die belangstelling heeft'', antwoordt Veldhuis. ,,Neem contact met hem op of schrijf een brief aan ons college van bestuur.'' Kingma steekt zijn duim op. ,,Doe ik.''

Als Veldhuis na de borrel naar buiten loopt en met zijn ogen de Renault zoekt, knippert chauffeur Goris al met de lichten.