Sterrenles

Sterrenkunde op de basisschool wekt ontzag door de astronomische getallen.

`WIE WEET hoe groot de zon is?', vraagt Piet Hans Bruinsma aan de leerlingen van groep 6 van basisschool De Pirouette in Almere. ``Twee meter?'', gokt een jongen. ``Vijf meter?'' ``Vijfhonderd?'' Bruinsma schudt het hoofd. ``Meer dan 1 miljoen kilometer.'' ``Wauw'', verzuchten de kinderen ademloos. ``De aarde past meer dan een miljoen keer in de zon. Als de zon een voetbal was, zou de aarde een speldenknopje zijn.'' ``Wauw'', klinkt het weer. ``En wie weet hoe warm de zon is?'' Daar durft even niemand zich aan te wagen. ``De zon is 6.000 °C aan de buitenkant. En binnenin de zon is het wel vijftien miljoen graden heet.'' ``Wauw.''

Er wordt wat `afgewauwd' tijdens de lessen sterrenkunde van `Het heelal op reis'. En dat is ook precies wat de bedenkers en uitvoerders ervan, Rob Walrecht en Piet Hans Bruinsma, voor ogen hebben: kinderen verwonderen. ``We willen laten zien dat sterrenkunde leuk is'', zegt Walrecht. ``Die interesse moet je moet al op de basisschool zien aan te wakkeren, want als kinderen ouder worden, zijn ze meer gesloten en willen vooral niet als `whizzkid' gezien worden. Want sterrenkunde heeft nog steeds het imago moeilijk en stoffig te zijn.''

Bruinsma is verbonden aan de Sterrenwacht Almere en Walrecht is al jaren bezig met het ontwikkelen van leermiddelen voor het vak sterrenkunde. `Het heelal op reis' is hun eerste gezamenlijke project. Samen hebben zij verschillende lessen sterrenkunde gemaakt waarmee zij basisscholen af reizen. Daarbij proberen ze zoveel mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen. Tot in detail. ``Wij leren veel van de nabesprekingen met groepsleerkrachten'', vertelt Bruinsma. ``Als ik bijvoorbeeld vertelde dat ik door mijn telescoop naar Mars zat te kijken, deed ik dat in de klas voor door naar beneden te kijken. Een leerkracht wees mij erop dat kinderen dat verwarrend vinden, want als je de sterren wilt zien moet je toch naar boven kijken? In werkelijkheid zit er in mijn telescoop een spiegeltje waardoor ik op een stoel kan zitten en naar beneden kijk. Maar in mijn lessen kijk ik nu toch maar naar boven.''

Bruinsma en Walrecht proberen antwoorden te geven aan de vragen die van nature in kinderen leven: is er leven op andere planeten? Hoe groot is het heelal? En waar eindigt het? Die vragenstellers brengen hen wel eens in een lastig parket. Zoals Dominique (9). Als Bruinsma vertelt over de kernenergie waarop de zon draait, vraagt zij of die energie ook op kan raken. ``Ja'', antwoordt Bruinsma. ``De zon heeft energie voor tien miljard jaar. Daarvan zijn er nu ongeveer vijf voorbij. Dus de zon heeft nog energie voor vijf miljard jaar.'' ``En wat gebeurt er dan?'', vraagt Dominique. ``Dan neemt de zon als het ware een grote hap lucht, wordt heel groot en knalt uit elkaar. Maar dat duurt nog hééél lang.'' Dominique is er stil van. Bruinsma gaat verder met de les en weidt uit over een nieuwe planeet die ontdekt is en of rode sterren warmer zijn dan blauwe (nee, blauwe zijn warmer). Maar Dominique is stil blijven staan bij het onvoorstelbare. Ze steekt haar vinger op: ``Maar als de zon ontploft, sterven wij dan uit?'', vraagt ze. Bruinsma ziet de bui al hangen en heft zijn handen bezwerend op. ``Ja'', antwoordt hij, ``maar daar hoef je écht niet bang voor te zijn. Dat maken wij allemaal niet meer mee.''

Bruinsma en Walrecht ontwikkelden het lesmateriaal, bestemd voor de bovenbouw van de basisschool, zelf. Zo ontwikkelde Walrecht een bouwpakket voor een draaibare sterrenkaart, die op school gemaakt kan worden. Samen hebben ze modellen gemaakt van alle planeten in ons zonnestelsel. Die nemen ze iedere les mee, zodat de kinderen een idee krijgen van de schaal. De les zelf wordt gegeven aan de hand van een multi-media presentatie. Spectaculair onderdeel is een filmpje van de zon, waarin duidelijk een zonnevlam (een enorme wolk van elektrisch geladen gasdeeltjes) te zien is, die de zon verlaat. ``In juli 2000 kwam er een zonnevlam op ons af die wel drie keer zo groot was als de aarde'', vertelt Bruinsma. ``Toch verbrandden wij niet, omdat we zo ver van de zon staan. Een zonnevlam botst op ons magnetisch veld, en dan krijg je iets dat wij noorderlicht noemen: wapperende gordijnen van licht, die je vooral dicht bij de Noordpool goed kan zien.''

Sinds de start van het project begin dit jaar hebben Bruinsma en Walrecht al meer dan 60 basisscholen bezocht, waarvan het merendeel in Almere. Hier financiert de gemeente het project namelijk en hoeven de scholen geen eigen bijdrage te betalen. Voor scholen elders die niet zelf de middelen ter beschikking hebben om `Het heelal op reis' te laten komen hebben Bruinsma en Walrecht onlangs een initiatief gelanceerd: ze vragen ouders, gemeenten en bedrijven hun project financieel te sponsoren, zodat ook minder rijke scholen hun leerlingen kunnen laten kennismaken met de sterrenkunde.

Om de kennis van en interesse voor sterrenkunde breed te voeden zijn Bruinsma en Walrecht ook begonnen met cursussen voor leerkrachten. Daarmee willen ze voorkomen dat hun lesje op school een incident is. Op basisschool De Pirouette is de les van vandaag ingebed in een project over sterrenkunde. Dat werkt prettig, vindt Walrecht. ``Want dan hebben de kinderen al meer voorkennis en blijft de informatie beter hangen.''

Ondertussen vertelt Piet Hans Bruinsma over de sterren. ``Wie weet hoeveel sterren er zijn?'' ``Het laatste getalletje'', zegt een meisje slim. Bruinsma lacht, terwijl hij het volgende plaatje laat zien. ``Kijk: een 1 met 22 nullen. Zoveel sterren zijn er.'' ``Wauw'', klinkt het eenstemmig. ``En hoe lang denken jullie dat je er met de bus over moet reizen om bij de dichtstbijzijnde ster te komen?'' ``Een jaar?'', schatten de leerlingen. Bruinsma schudt het hoofd. ``Vierenveertig miljoen jaar. En met een raket zouden we één miljoen jaar onderweg zijn.'' Wauw.

www.heelalopreis.nl