Pluk paddestoelen, pluk ze!

`De biefstuk der armen' was bij onze voorouders geliefd. Tegenwoordig wordt van de daken geschreeuwd dat het plukken van paddestoelen niet mag. Heel goed: hoe harder wordt geroepen dat iets niet mag, hoe meer paddestoelen er (terecht) worden geplukt, betoogt Ria Loohuizen

Het is weer herfst: paddestoelentijd voor de media, die ook altijd vertederd concluderen dat het lente is wanneer de eerste lammetjes in de wei zijn gesignaleerd, een gebeurtenis die toch eerder afhankelijk is van de ram dan van het seizoen. Er wordt verwoed gefotografeerd, gekookt en met paddestoelenexcursies geadverteerd.

In bijna elk dames- en levensstijlblad – van Elegance tot Buitenleven – staat deze maand een artikel over wilde paddestoelen, waarbij één boodschap, of liever gezegd waarschuwing, overheerst: afblijven met je poten!

Berichtgeving over het onderwerp is haast altijd negatief en sensationeel. Die gaat dan over het aantal mensen in Rusland of Polen dat dit jaar bij het paddestoelen zoeken in het bos is verdwaald – 121 personen in de omgeving van Sint Petersburg, volgens BBC news op internet – of dood neergevallen – volgens hetzelfde bericht waren er 457 gevallen van vergiftiging.

Hoeveel kilo's heerlijke bramen of bosbessen er dit jaar weer roekeloos zijn geplukt en verwerkt tot jam of Haagse bluf, komt niet in de krant, laat staan op het internet – terwijl tot de categorie wilde vruchten toch ook notoire boosdoeners behoren, zoals de vruchten van de Gelderse roos, de wolfskers en het bilzenkruid.

Wat het plukken van eetbare wilde planten in het algemeen en paddestoelen in het bijzonder betreft – de enige manier waarop je in dit tijdperk van de adoptiekip nog een beetje het, wellicht romantische of zelfs sentimentele, oergevoel kunt hebben van onze voorouders die dagelijks op jacht moesten om hun voedsel bijeen te garen (en reken maar dat de `biefstuk der armen' bij hen favoriet en felbegeerd was) – ben ik een ware cultuurpessimist.

In tegenstelling tot landen als Duitsland, Frankrijk en Polen, waar het niet alleen voor de liefhebber of kenner, maar voor iedereen het hele jaar door paddestoelentijd is, wordt het bij ons als eng en milieu-onvriendelijk beschouwd om paddestoelen te plukken.

Dat zijn twee heel verschillende reacties, en hoewel beide voortkomen uit onwetendheid, heeft de eerste met cultuur en de tweede met mode te maken; brengt de eerste alleen zichzelf, de tweede alleen anderen schade toe.

Degenen die huiveren bij de gedachte aan een paddestoel uit het wild, die ze vies (schimmel!) en gevaarlijk (giftig!) vinden, zijn soms nog wel te overreden, te bekeren of te onderrichten, al heb ik hard core mycofoben gekend die, aan dezelfde dis als ik en mijn blozende kinderen, weigerden mee te eten wanneer paddestoelen op het menu stonden. Het is nogal wiedes dat je met verstand van zaken te werk moet gaan, maar dat geldt voor elk gebied van expertise. In het geval van paddestoelen lijkt men te denken dat de kans (of de verleiding?) groter is om risico's nemen – een angst die omgekeerd evenredig is met de werkelijkheid.

De tweede categorie is veel gevaarlijker, want het beleid voor natuur`bescherming' lijkt het afgelopen decennium steeds meer aan mode onderhevig te zijn: eerst moesten meanderende beekjes rechtgetrokken worden (to the tune of miljoenen guldens) om een aantal jaren en vergaderingen later weer van hun `oorspronkelijke' bochten te worden voorzien.

Tegenwoordig laat men omgevallen bomen en dood of gesnoeid hout liggen waar ze gevallen zijn, in een ambivalente poging om twee doelen tegelijk na te streven: de bodem in staat te stellen een humuslaag te vormen en het `buiten de paden treden' te ontmoedigen. Natuurliefhebber en wandelende smulpaap moeten zodoende genoegen nemen met een bos dat eruit ziet als ground zero: een veel treuriger aangezicht dan de vermeende ravage die een paddestoelenplukker zou achterlaten.

Nee, de mensen die willen dat wij met onze poten van de natuur afblijven, kunnen er zélf niet met hun poten van afblijven.

Joseph Roth signaleerde al in 1938, bij monde van een lakonieke koetsier, hoe men zich kan gaan gedragen als voorschriften worden ingevoerd: ,,Buiten die spijkers die ze in de straat hebben geslagen mag je iemand rustig overrijden.''

Er wordt niets meer overgelaten aan het geweten, de innerlijke beschaving krijgt geen kans meer zich te manifesteren, alles wordt opgevangen door regeltjes en vergunningen, verboden en vermaningen, die zo ver gaan als stoeptegels met de afbeelding van een hond in poephouding, terwijl die honden in de meeste recreatiegebieden en natuurreservaten lustig in het wilde weg hun drollen mogen deponeren.

Het is tot op heden niet bewezen of gebleken dat door het plukken de stand van de paddestoelen, die als opruimers zo'n belangrijke rol spelen in de kringloop, achteruit gaat. Als wordt bedacht dat sinds de Romeinse tijd, en waarschijnlijk ver daarvoor ook al, paddestoelen worden geplukt om op te eten – zouden boleten en catharellen, stekelzwammen en judasoren dan niet alláng de dodo achterna zijn gegaan? Zou het zelfs niet kunnen zijn dat het plukken bij sommige soorten de groei juist bevordert, zoals het geval is bij veel andere gewassen, planten en bloemen? Is daar wel eens onderzoek naar gedaan?

Zelfs na het plukken en verorberen, vorige week, van een reuzenbovist, potentiële ouder van een zeven-biljoenling, heb ik nog een schoon geweten. Maar wat mij betreft mogen ze het paddestoelen plukken verbieden, want volgens de aloude beproefde psychologisch-didactische taktiek leidt `mag niet' alleen maar tot de onbedwingbare neiging het stiekem lekker toch te doen, wat een boswandeling des te spannender en bevredigender maakt.

Carpe diem, carpe fungum.

Ria Loohuizen is auteur van onder meer `Zwam in de Pan'.