Twai baus proffen

Vorige week heb ik op deze plaats een stukje geschreven over de toekomst van het Nederlands. Langzaam weg met alles staat erboven. Ik was op het idee gebracht door een artikel dat ik, nog ver van het vaderland, in de Volkskrant, had gelezen. Daarin wordt de taalkundige professor Fred Weerman geciteerd. Hij is van mening dat over zeven jaar een grote huis even `goed' zal zijn als een groot huis. Dat is best mogelijk. De taal verandert voortdurend. Ik zal niet tegensputteren. Wat mij tegenstond, en tegenstaat, is dat hij, de verslaggever zijn zienswijze verklarend, een bepaalde uitdrukking gebruikte. Dan valt het kwartje, zei hij. Taalkundig niets op aan te merken. Grammaticaal ook in orde. Maar het gaat hier om de esthetische kant. Vallende kwartjes horen tot dezelfde categorie als mensen die te kort door de bocht niet door één deur kunnen, zeg maar, en dan terug naar af gaan. In het voorbijgaan wilde ik de professor gekscherend even hierop attent maken. Had ik dat maar niet gedaan! Van hem zowel als van zijn collega Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut, kreeg ik een zeer boze brief. Ik heb de heren tot in de ziel geraakt. Geloof me, dat was en is niet mijn bedoeling.

Intussen heb ik het boek waarom het hier gaat op mijn tafel. Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal, samengesteld door Jan Stroop, ontdekker van het Poldernederlands, verschenen bij zijn afscheid als hoofddocent Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Ik heb nog niet alle 361 pagina's gelezen, maar nu al vind ik het een mooi boek. Op pagina 177 las ik, in de bijdrage van Hans Hulshof, hoogleraar didactiek aan de Universiteit van Leiden, een passage die me uit het hart gegrepen is. Ik citeer: `De topvijf van misvattingen over taal zien er zo uit: (1) Wie aan de spelling komt, komt aan de taal; (2) Iedereen gebruikt taal en kan er dus over oordelen; (3) Een onwelgevallige nieuwvorming is geen Nederlands; (4) Verandering in de taal is taalverarming of taalverloedering; (5) Er moet gedecreteerd worden wat goed Nederlands is.' Natuurlijk. Als je nu luistert naar een geluidsband van een jaar of twintig, niet langer geleden, met discussies in een vakbondsvergadering, de Tweede Kamer, de zesde klas van een lagere school, sta je al verbaasd. Veranderingen vallen niet tegen te houden. Vaak is dat maar goed ook, en een andere keer niet. Over die andere keren ging mijn stukje van vorige week.

Dat zijn er drie. Ten eerste heb ik mijn esthetische bezwaren tegen de Haagse eufemistentaal. Dat heeft weinig zin, zult u zeggen. Hoeveel is weinig? Hebt u gemerkt dat niet langzamerhand door weinig wordt vervangen? Ik opper dat deze voorkeur voortkomt uit de Nederlandse drang, of noodzaak tot consensus. In het Haagse taalgebruik woekert de gewoonte voort. De politieke verhoudingen staan niet toe dat de partijen diametraal tegenover elkaar staan, want de volgende dag dwingen de inmiddels veranderende omstandigheden weer tot verzoening, of `samengaan'. In dit land, zoals wij hier bij elkaar zijn. Het gevolg is dat zich een soort gewatteerd of gecapitonneerd Nederlands heeft ontwikkeld. Die groei is bevorderd door de televisie. De politicus moet zich terwille van de consensus op de vlakte houden, maar wil zich voor de camera ook profileren, dat wil zeggen, leuk of oorspronkelijk uit de hoek komen. Omdat niet iedereen even origineel is, gaan de minder begaafden zich bedienen van die quasi-oorspronkelijke gemeenplaatsen. Het resultaat is een glibbertaal waar de spreker `mee wegkomt' terwijl de kiezer er geen touw aan vast kan knopen. `Wie niet helder schrijft, heeft niet helder gedacht', zei de nog altijd zeer leesbare Johan Andreas dèr Mouw. Bent u het daarmee eens of niet?

Twee. Ik noemde (op gezag van het Max Goote Kenniscentrum) de anderhalf miljoen `functionele analfabeten', die zelfstandig geen formulier meer kunnen invullen, hoewel ze ongetwijfeld op straat goed uit hun woorden zullen komen. Onze moderniteit is rijk aan formulieren. In de Middeleeuwen had je beroepsschrijvers, die voor de minder geleerde burgers de correspondentie verzorgden. Dit beroep is weer in opkomst. Dat is, om het eigentijds te zeggen, weinig bemoedigend.

Ten slotte had ik het over de canon van de Nederlandse letterkunde. Wat dit aangaat ben ik ultraconservatief. Ik vind dat, bij alle erkende veranderingen, de continuïteit in onze cultuur bewaard moet blijven. De continuïteit is onder andere verankerd in het onderwijs. In het vwo hoort een beetje Multatuli erbij, zoals je, als lid van de Tweede Kamer de Slag bij Nieuwpoort niet met die bij Waterloo mag verwarren.

En van harte hoop ik dat ik met deze toelichtingen niemand beledigd heb.