Man, blijf een jongen!

Germaine Greer schudt haar publiek al decennia op, met provocerende pleidooien voor machtsvrije seks en seksuele onthouding. Ze keerde zich eerder tegen het huwelijk en tegen medicalisering van vrouwen tijdens de menopauze. En nu heeft ze de jongen ontdekt, als de beste en mooiste verschijningsvorm van de man.

Maar slaat het ergens op?

Mannelijke schoonheid is niet vanzelfsprekend. Van jongs af aan horen we dat een jongen niet beautiful, mooi, kan zijn, maar wel handsome, knap. En dat terwijl sommige mannen, aldus Germaine Greer, in een bepaalde periode van hun leven een `onthutsende, zeg maar gerust goddelijke schoonheid' bezitten. Tijdens die periode houdt de jongen ervan zich op te maken en te pronken met zijn lijf, en is hij ook seksueel onvermoeibaarder dan de man.

Een mooie jongen is volgens de veteraan-feministe Greer in haar nieuwste boek oud genoeg om seksueel geprikkeld te worden, maar nog niet zo oud dat hij zich al moet scheren. Hij is mooi `wanneer zijn wangen nog glad zijn, zijn lichaam onbehaard, zijn hoofd bedekt met een weelderige haardos, zijn blik helder, zijn houding beschroomd en zijn buik plat'.

Germaine Greer weet als geen ander hoe ze de media kan interesseren voor een boek dat nog niet uit is. `Ik zal wel voor pedofiel worden uitgemaakt', zei ze kort voor het verschijnen van De Jongen. Wie daarna reikhalzend uitzag naar dit `watertandende, verrukkelijke boek over de verbijsterende schoonheid van jongens', staat een verrassing te wachten. De Jongen is op het eerste gezicht een uiterst beschaafd koffietafelboek vol kunstgeschiedenis en met een klassiek zwart-wit omslag. Wel plaatjes met piemeltjes en jongemannenpenissen, maar die hangen (of staan) reeds in musea: Bacchus van Caravaggio uit 1597, De slaap van Endymion van Anne-Louis Girodet uit 1791, De dood van Abel van François-Xavier Fabre uit 1791, de David van Michelangelo (1501-04). Het spraakmakende van De Jongen zit hem dus niet zozeer in de kunst die Greer toont, maar in de begeleidende tekst.

Taboes doorbreken door vaak geestige provocaties is al jarenlang Greers handelsmerk. Elk decennium verschijnt van haar hand een erudiet boek waarin ze de positie van vrouwen en de seksuele tijdgeest analyseert. Ze werd beroemd met The Female Eunuch (1971), een indrukwekkende analyse van de ongelijke machtsrelatie tussen de seksen, waarin ze vrouwen opriep niet te trouwen. Ze propageerde zelf de vrouwelijke seksuele bevrijding door als medeoprichtster van het Amsterdamse seksblad Suck naakt te poseren in het tijdschrift. In Sex and Destiny (1984), Greers tweede controversiële boek, hield ze tot ieders verrassing een pleidooi voor seksuele geheelonthouding: beter geen seks dan slechte seks of je volproppen met hormonale anticonceptie.

Als vijftigplusser kwam Greer met The Change (1991), een vlammend betoog tegen de opvatting dat de menopauze het einde in zou luiden van de seksualiteit van veertig-plusters. In The Whole Woman (1999) zette zij haar protest tegen het gebruik van het vrouwelijk lichaam als slagveld voort, verminkt als het wordt door besnijdenis, pil en spiraaltje. Greers boeken zijn al eens met televisie vergeleken: ze formuleert puntig, is snel in de afwisseling en ze put uit diverse genres: reportage, polemiek, autobiografie, essay en kunstkritiek. Het maakt haar werk intelligent, prikkelend en vermakelijk, maar ook eenzijdig en ongenuanceerd. Dezelfde kwalificaties gelden ook voor De Jongen.

Hoewel ze niet voor pedofiel uitgemaakt wil worden, neemt ze het woord in dit boek wel voortdurend in de mond. Volgens Greer heeft de pedofiliepaniek aan het einde van de twintigste eeuw de bewondering voor het jongenslichaam verdacht gemaakt. Het jonge mannelijke naakt als belichaming van ideale schoonheid is nagenoeg uit de beeldende kunst verdwenen. Greer geeft daar een verklaring voor die betwistbaar is. In de de negentiende eeuw gingen mannelijke kunstenaars vrouwelijke modellen betalen om naakt te poseren. Pas toen zouden zij, volgens Greer, het vrouwenlichaam goed zijn gaan bestuderen en is de nadruk binnen de kunstgeschiedenis op het vrouwelijk lichaam komen te liggen. De grote negentiende-eeuwse verzamelaars, die een voorkeur hadden voor die geschilderde naakten, hebben ook de toonaangevende musea gesticht. Daardoor is een vertekend beeld ontstaan van de kunstgeschiedenis. Want wie goed kijkt, ontdekt dat de Europese kunstgeschiedenis ook bol staat van spelende, hangende en slapende jongens – posities waarin men de vrouw overigens zelden zal aantreffen. Greer gaat er echter aan voorbij dat kunstenaars ook in vroeger eeuwen al vrouwelijke modellen huurden en bestudeerden.

Het bekendste voorbeeld van de idealisering van de schoonheid van de jongen treft men natuurlijk aan in het oude Griekenland. De Grieken beschouwden de jongen, aldus Greer, als `gemaakt voor de liefde en geliefd door allen' en hij inspireerde tot vele sculpturen. De talloze afgebeelde naakte jongens zijn, aldus Greer, niet gemaakt om de (mannelijke) toeschouwer op te winden. Toch kunnen deze jongens wel een erotische lading hebben; ze symboliseren vaak het idee van de erotische liefde, zoals Eros. Greer wil nu met dit boek vrouwen `hun mogelijkheden en recht op visueel genot teruggeven'. Weliswaar wordt sinds de tweede feministische golf vrouwelijk seksueel verlangen erkend, en zelfs te gelde gemaakt met `pelotons mannelijke strippers', maar volgens Greer verdient die gezonde begeerte hoognodig verfijning.

Om die te helpen bereiken, laat Greer zien dat door de eeuwen heen talloze begrenzingen zijn aangebracht tussen de jongen en de man: De Drie Levensfasen van Giorgione (ca.1629) toont de jongen (baardloos), de man (met baard) en de oude man (met lange baard), terwijl Xenophon in Cyropedia het leven in vieren deelde, waarbij men van een jongen man wordt op het moment dat men in militaire dienst moet. De wetenschapper R.W. Connell maakt in Masculinities (1995) zelfs een indeling in zes fasen, waarbij schaamhaar en de grootte van de testikels de onderscheidende kenmerken vormen.

In afzonderlijke hoofdstukken schetst Greer vervolgens verschillende archetypen van de jongen, die zij baseert op de Griekse mythologie. Algemene uitblinker is de fysiek volmaakte god Apollo. Zijn geïdealiseerde schoonheid inspireerde tot tal van beeldhouwwerken, schilderijen en gedichten. Greer wijdt aan hem een compleet hoofdstuk. Andere hoofdstukken behandelen de jongen als bemiddelaar in de liefde (Cupido), slapend liefdesobject (Endymion), spelende jongen (Dionysus ), dienende jongen (Ganymedes), vechtende jongen (Apoxyomenos) en lijdende jongen (Hyacinthus).

Ze hanteert daarbij steeds dezelfde associatieve werkwijze. Eerst vertelt ze het mythische verhaal waarin de jongen de hoofdrol speelt, dan speurt ze het oudste kunstwerk op waarin hij is verbeeld, en vervolgens traceert ze het archetype in verschillende kunstvormen. De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de vroegmoderne schilderkunst, maar ze bespreekt ook voorbeelden uit de literatuur, beeldhouwkunst, fotografie en populaire cultuur. Door de thematische aanpak worden de historische verbanden nauwelijks zichtbaar, maar de brede aanpak levert soms verrassende en boeiende inzichten op. Zo laat Greer zien hoe Cupido veranderde van een wellustig ettertje, die alles vertegenwoordigt wat onbeheersbaar is in de seksualiteit (jaloezie, razernij, geweld), tot zinnebeeld van ingetogen liefde. In die rol gaat hij steeds meer lijken op een preuts meisje. Wie de afbeeldingen door de tijd heen volgt, ziet hoe hij een ronder, meisjesachtig gezicht krijgt, en hoe zijn penis langzaam verschrompelt. Het mannelijk geslachtsdeel verdween bijna helemaal uit de schilderkunst, de liefde werd gedeseksualiseerd, zoals de gehele openbare cultuur in de negentiende eeuw. Greer wijst erop dat met de opkomst van openbare academies in de negentiende eeuw, ook schilderijen geschikt moesten worden gemaakt voor vrouwenogen.

De hoeveelheid slapende mooie jongens in de westerse kunst is overdonderend. Het archetype van de slapende jongen is Endymion, de herdersjongen op wie de maangodin Selene verliefd werd. De godin vond hem zo mooi, dat ze hem onsterfelijkheid gaf en de eeuwige jeugd, maar wel de voorwaarde stelde dat hij altijd zou slapen. Greer laat zien hoe schilders de mythe vormgaven, en behandelt ook diverse andere schone slapers, onder wie Don Juan in het onvoltooide epos van Byron uit 1818. Na een verboden affaire met een vriendin van zijn moeder, spoelt hij naakt aan op een Grieks eiland. Daar ligt hij lange tijd uitgeput te slapen en wordt hij onbekommerd bewonderd door een jonge vrouw. De slapende jongen houdt echter, ironisch genoeg, toch een zekere macht: hij kan bewonderd worden, maar niet bezeten of genoten.

De volwassen vrouw die haar lust wil omzetten in actie, kan er van op aan dat de verhouding met een jongeling gedoemd is te mislukken. Soms komt dat omdat het mannelijk liefdesobject onwillig is. In Shakespeares komedie Adonis en Venus beantwoordt Adonis niet de liefde van Venus, omdat hij vindt dat hij te jong is: `Hij wil haar niet berijden, al bestijgt hij haar wel'. Gelukkig, haast Greer zich te zeggen, vormt dit stuk een uitzondering. De meeste jongens willen volgens haar maar al te graag seksueel ingewijd worden door een rijpere vrouw. Zie romans als Bernard Schlinks Die Vorleser, Milan Kundera's Onwetendheid, en Cherie van Colette. Jammer genoeg stránden ook al die relaties. In Cherie kan de verhouding alleen blijven bestaan in de vorm van een moederlijke liefde voor haar zoon. Ten onrechte wordt, aldus Greer, de seksuele relatie tussen een oudere vrouw en een jongere minnaar voortdurend als gebrekkig en disfunctioneel voorgesteld. Keer op keer gaat het in deze romans wèl om de grootste liefde uit het leven van de personages, en niet om een soort `voorprogramma'.

Greer wijdt ook een hoofdstuk aan de vrouwelijke blik op het mannelijk naakt. Ze laat zien dat kunstenaressen terugvallen op de overgeleverde archetypen en dezelfde technieken gebruiken als hun mannelijke collega's bij het afbeelden van vrouwelijk naakt. Zo maakt Sarah Kent in haar foto van een mannelijk naakt Californië (1982) gebruik van fragmentatietechnieken: zij knipt de jongen in stukjes en beeldt alleen zijn onderlijf en zijn penis af. Maar vrouwen voegen ook vaak iets toe aan het stereotype. Greer merkt op dat Kents foto een `verminkt lichaam' toont, namelijk een besneden penis. Het is, aldus Greer, de enige besneden penis is in haar boek, en ook een van de weinige in de hele westerse kunst. Dat is een intrigerende observatie, die jammer genoeg niet verder wordt uitgediept.

De jongen staat bol van dit soort onuitgediepte beweringen. Greer lijkt in haar werkwijze het meest op de opstandige jongen die ze zo bewondert: vol eruditie en kennis stuift ze door de westerse kunstgeschiedenis, ze pronkt graag met haar veren, is speels en springerig, maar soms ook zo onstuimig dat historische sensibiliteit ver te zoeken is. Met reuzensprongen zoeven we van de oudheid naar de achttiende eeuw, dan naar Elvis, Boy George, een volksstam uit Afrika en weer terug. Eerdere grote studies over het mannelijk naakt, zoals The Nude Male van Margaret Walters, worden slechts vluchtig genoemd, zodat het lijkt of Greer de eerste is die over blote jongens schrijft. Maar je krijgt wel een goed humeur van het speelse vrouwelijk kijkgenot waarmee Greer de klassiekers uit de westerse kunst afstoft. Zo wijst ze erop dat Jan Steens De tekenles (ca. 1665) vol verborgen erotische toespelingen zit, als we bij dit schilderij beter letten op de vrouwelijke blik op het jongensnaakt: een jong meisje bestudeert aandachtig een naakt afgietsel van de heilige Sebastiaan, terwijl haar tekenleraar niets in de gaten heeft.

Greer is vaak aangevallen op haar universele pretenties. Ze zou een door en door middle class wit vrouwbeeld willen neerzetten als norm en geen oog hebben voor sociaal zwakkere en minder bedeelde vrouwen. Dat geldt ook voor haar jongens. Vreemd genoeg bevinden zich tussen de mooie jongens die de revue passeren namelijk maar weinig jongens uit de arbeidersklasse, terwijl die toch een van de stereotypen van mannelijke schoonheid belichamen. Wie geen hersens heeft, kan dat compenseren met zijn lijf, bijvoorbeeld door een sportheld te worden. Er is weliswaar een hoofdstuk over de `dienende' arme jongen, maar daarin treffen we slechts één afbeelding aan van een anonieme jongen die in armoede leeft. Volgens Greer zijn dergelijke afbeeldingen zo zeldzaam in de westerse kunst, omdat compassie met het lot van de werkende jongen pas in de negentiende eeuw opkwam.

Voor de afwezigheid van zwarte jongenslijven in de westerse kunst heeft Greer een moeizame oplossing gevonden. Zij figureren in haar boek niet als individuen, maar louter in stam- en groepsverband als antropologisch curiosum. Dansen, muziek maken en opmaken zijn volgens haar in iedere samenleving een essentieel aspect van mannelijk vertoon om de aandacht van vrouwen te trekken. In de stijl van Desmond Morris verbindt Greer in één adem Orpheus met zijn lier, zoals afgebeeld door Agnolo Bronzino rond 1539, met een foto uit 1964 van een indianenjongen uit Brazilië die op zijn panfluit speelt. Soms pakt de antropologische blik op kunst ook geestig uit, als ze David Beckham blijmoedig op een lijn stelt met jonge Wodaabe-mannen uit Niger die net als hij de aandacht van vrouwen trekken door hun huid te poederen, nagels te lakken en koolzwarte lijnen rond hun ogen te trekken.

De Jongen is zodoende een op zijn minst dubbelzinnig werk. Greer richt haar blik op jongens uit de westerse kunst, maar gaandeweg wordt steeds duidelijker dat dit boek niet alléén over de jongen gaat. Met haar seksualiserende blik op de westerse kunsten, stoft Greer haar pleidooien uit de jaren zeventig af. De jongen gaat óók over de erotische bevrijding van de oudere vrouw. Het past daarmee in de emancipatoire doelstellingen van haar oeuvre, waarbij de leeftijdsgrens van `de vrouw' steeds een stukje met die van de auteur opschuift. De kunstwerken die zij bespreekt, tonen steeds dat de oudere vrouw begeert en op haar beurt wórdt begeerd, en daar is het Greer om te doen. Ze verwijst als inspiratiebron zelfs regelmatig naar haar jonge minnaar (die haar overigens heeft verlaten). In tegenstelling tot de leeftijdsloze definitie van de jongen die ze in haar boek hanteert (maar die tussen de 12 en 18 jaar lijkt te liggen) schroeft Greer in interviews de `jongen' op naar de veilige wettelijke volwassenheid: ,,Iedere vrouw met smaak heeft liever een jongen als minnaar dan een man. En als ik ``jongen'' zeg, bedoel ik niet acht jaar oud, maar achttien.''

Greer wil voor vrouwen een wereld van `beschaafde' genoegens openen, maar schroomt zelf in interviews de platheid niet met haar uitspraken over de seksuele potentie van jongens en zaad dat stroomt `als kraanwater'. Ook noemt ze in haar inleiding het verfijnde kijkgenot in één adem met de `actieve belangstelling voor seks'. Beschouwt ze daarmee het kijken naar kunst als een soort prelude op het kijken en het bedrijven van de liefde in de werkelijkheid? Er ontstaat zo een spanning tussen kunst en leven, kijken en doen, esthetiek en erotiek en verfijnd en plat.

Van echte seksuele bevrijding van vrouwen lijkt al met al geen sprake, als dat verlangen alleen geconsumeerd wordt op `veilige' plekken, zoals in musea, en als vrouwen alleen kijkplezier mogen beleven onder het mom van beschaving. Bovendien lenen alleen jongens zich volgens Greer voor haar doel. Alleen zij laten zich bezitten en bekijken door vrouwen. Zij `capituleren', omdat ze geen tegenwerpingen kunnen maken: `[...] de jongen, uitgesloten als hij is van fallische macht, is domweg begiftigd met een ontvankelijke penis, in plaats van met een dominante fallus.' Op grond van dit boek kunnen we daarmee vaststellen dat volwaardige emancipatie en seksuele bevrijding voor vrouwen nog lang niet is bereikt. Een boek met naakte mannen voor vrouwenogen, dát was pas een seksuele bevrijding geweest.

Maar Greer heeft nóg een punt op haar agenda. Greer vermoedt dat de `voltooide man wel eens een incomplete uitgave van de jongen zou kunnen zijn.' Terwijl mannen eendimensionaal zijn geworden, zijn de met hun uiterlijk koketterende jongens `polymorf', dat wil zeggen `nutteloos, wispelturig, onvoorspelbaar en kwetsbaar'. De ideale jongen, kortom, heeft wel iets weg van de vrouw.

In plaats van mannen aan te sporen eens volwassen te worden moedigt zij hen dus aan: blijf liever een jongen. Ze pleit voor de `seksualisering' van de jongen, omdat dat een veelzijdiger, rijker en gezonder type man zou kunnen opleveren, die meer ruimte geeft aan vrouwelijkheid, gevoel en lichamelijkheid. Zo bezien is De jongen een origineel pleidooi om van alle mannen jongens te maken, niet alleen omdat ze dan meer op vrouwen lijken, maar ook omdat de vrouw hem dan gelijkwaardig tegemoet kan treden en zelfs kan bezitten. Vrouwelijke kunstenaars worden daarbij prompt door Greer aangemoedigd om meer jongens af te beelden. Ze komen zo voor de vraag te staan hoe zij het mannelijk lichaam kunnen afbeelden, zonder terug te vallen op de manier waarop mannelijke schilders het vrouwelijk naakt hebben weergegeven, veelal louter als (lust-)object. Maar vooral levert het boek een beschaafd kijkplezier op voor de kunstenaar en haar publiek, de oudere vrouw in het algemeen, en Germaine Greer zelf in het bijzonder.

Germaine Greer: De Jongen. Vertaald uit het Engels door Auke Leistra en Atty Mensinga. Meulenhoff, 256 blz. €45,-(geb.) €32,50 (pbk.)

Germaine Greer: The Boy. Thames and Hudson, 256 blz. €52,97