Overleg over Europese grondwet vertraagd

De onderhandelingen over een Europese grondwet blijken moeilijker te zijn dan het Italiaanse voorzitterschap van de Europese Unie had voorzien. De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Franco Frattini, besloot gisteren om de methode van de begin deze maand gestarte onderhandelingen ingrijpend te wijzigen.

De onderhandelingen op basis van de ontwerp-tekst van de Conventie over de toekomst van Europa zullen voortaan worden voorbereid door ambtenaren uit alle vijftien EU-lidstaten, de tien toetredingslanden en de drie kandidaat-landen. Aanvankelijk was de bedoeling dat alleen op het niveau van ministers en van regeringsleiders onderhandeld zou worden over het constitutioneel verdrag.

Diplomaten zeiden gisteren dat de ambtelijke voorbereiding de kans vergroot dat de onderhandelingen bij de Intergouvernementele Conferentie (IGC) over het verdrag worden vertraagd. Omdat de ambtenaren meer dan de politici op details zullen letten, zullen politieke akkoorden moeilijker tot stand komen. Italië wilde de onderhandelingen bij voorkeur in december afsluiten. Maar de Italiaanse premier Silvio Berlusconi houdt er al rekening mee dat pas volgend jaar onder Iers EU-voorzitterschap overeenstemming over het verdrag wordt bereikt.

De Italiaanse minister Frattini besloot gisteravond de methode te wijzigen nadat het bij een onderhandelingsronde met 27 ministers van Buitenlandse Zaken en twee waarnemers van het Europees Parlement tot geen enkel gesprek kwam. De ministers deden niet veel meer dan hun reeds bekende uiteenlopende standpunten herhalen over de toekomstige samenstelling van de Europese Commissie en de Europese minister van Buitenlandse Zaken.

Staatssecretaris Atzo Nicolaï (Europese Zaken) zei dat Nederland met België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië een minderheid wormde die de omvang van de Commissie wil beperken. De meeste landen willen een eigen volwaardige eurocommissaris naar Brussel sturen.

De meeste landen willen dat een toekomstige Europese minister van Buitenlandse Zaken volwaardig lid wordt van de Europese Commissie. Hij zou daarom samen met de andere leden van de Commissie door het Europees Parlement naar huis gestuurd moeten kunnen worden. Maar Groot-Brittannië, Denemarken, Zweden, Slowakije en Spanje hadden hiertegen grote bezwaren.

Groot-Brittannië en zeven toetredingslanden voelen er ook niets voor om de nieuwe Europese functionaris, die een samenvoeging zou zijn van de huidige eurocommissaris voor Buitenlands Beleid en de hoge commissaris voor Buitenlands en Veiligheidsbeleid, de titel van Europees minister van Buitenlandse Zaken te geven. Zij betoogden dat hij geen lid van een regering zal zijn. Daarom stelden zij voor hem hoge vertegenwoordiger van de EU te noemen. Achtergrond van deze discussie is de wens van landen om te benadrukken dat het buitenlands beleid de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke EU-lidstaten blijft.