Najaarsoverleg als koorddansact

Kabinet, werkgevers en bonden praten tijdens het najaarsoverleg vanmiddag over een sociaal akkoord. Maar hoe bindend is dit akkoord nog anno 2003?

Lonen zijn in Nederland een zaak van bedrijven en werknemers, niet van de overheid. Vakbonden en werkgevers worden niet moe dit te herhalen en politici stemmen er doorgaans mee in. Toch spreken bij najaarsoverleg, dat vandaag officieel is begonnen, ministers mee over de loonontwikkeling van de komende jaren. En ministers doen dat al meer dan dertig jaar, bij het najaars- èn voorjaarsoverleg.

,,De voor- en najaarsoverleggen leidden niet tot veel. Dat was vooral veel ritueel'', zei oud-minister Bert de Vries (Sociale Zaken) vorig jaar in een interview over zijn ministerschap begin jaren negentig. De belangrijkste afspraken werden volgens hem op andere momenten gemaakt. Zoals de afspraak over de gematigde loonontwikkeling, waarmee Nederland begin jaren negentig een economische dip te lijf ging. Zoals het Akkoord van Wassenaar in 1982, dat beoogde de diepe crisis te bezweren met loonmatiging.

Het voorjaarsoverleg wordt gehouden als het Centraal Planbureau (CPB) de groeiramingen voor het komende jaar klaar heeft en het kabinet ongeveer weet welke kant het opgaat met de economie en de begroting. Het najaarsoverleg heeft plaats na prinsjesdag, als het kabinet de begroting voor het volgende jaar bij het parlement heeft ingediend. Beide overlegrondes zijn kleinkinderen van de naoorlogse wederopbouw, waarvan in de Nederlandse samenleving nog altijd restanten zijn te vinden.

Nadat Nederland op 5 mei 1945 definitief was bevrijd van de Duitse bezetter, overheerste het gevoel dat het totaal verwoeste en leeggeroofde land alleen kon worden opgebouwd in gezamenlijkheid. Deze corporatistische gedachten, die vooral door de dominante confessionele partijen werden gekoesterd, betekenden onder meer dat de concurrentie tussen bedrijven werd beperkt; kartels werden toegestaan en er werd naar gestreefd om hele sectoren in bedrijfschappen onder te brengen.

De gewenste gezamenlijkheid betekende ook dat werkgevers en werknemers met elkaar moesten optrekken en met elkaar praten. Daartoe werd reeds op 17 mei 1945, nog geen twee weken na de bevrijding, de Stichting van de Arbeid (Star) opgericht. De zetels in de Star werden snel bezet door prominente Nederlanders, die overigens toen nog niet veel te melden hadden over de lonen. Het was de regering die de verantwoordelijkheid had over de lonen en de prijzen.

Deze geleide loonpolitiek werd in 1970 afgeschaft, waardoor de werkgevers en werknemers volledig eigen baas werden over de ontwikkeling van de lonen. ,,Het is aannemelijk dat de overheid er vanaf dat moment ook belang bij had om aanwezig te zijn bij de gesprekken over de lonen tijdens het voorjaars- en najaarsoverleg'', zegt een woordvoerder van de Star. De overheid behield wel de bevoegdheid de lonen te bevriezen, een mogelijkheid die in de jaren negentig verdween – net zoals de vele kartels niet langer werden toegestaan.

De centrale overleggen, die traditioneel plaatshebben in het gebouw van de Sociaal-Economische Raad (SER) in Den Haag, zijn de laatste decennia uitgegroeid tot oefeningen in koorddansen. De hoogte van het loon wordt steeds meer decentraal vastgesteld, bij de meer dan 1.300 collectieve arbeidsovereenkomsten die in Nederland worden gesloten in sectoren die uiteenlopen van de orgelbouw tot de bouw. Tegelijkertijd kan een kabinet belang hebben bij een centraal akkoord, omdat te royale loonafspraken in CAO's de concurrentiekracht van Nederland kunnen uithollen en dure ambtenaren-CAO's een aanslag betekenen op de begroting. Het kabinet kan daarbij niets afdwingen, maar kan wel proberen de sociale partners te lijmen.