Geloof en fobie

In Moby-Dick van Herman Melville is in het hoofdstuk `De witheid van de walvis' sprake van een atheïstisch gekleurd landschap. Het is het witte landschap van de poolgebieden. De verteller Ishmael heeft dan al een reeks van voorbeelden gegeven om te laten zien dat wit weliswaar de kleur van reinheid en kuisheid is, maar vooral de kleur van de verschrikking en de dood. Het `atheïstische' poollandschap vertegenwoordigt voor hem de essentie van die verschrikking.

Waarom is dat zo? Het is omdat het witte landschap hem doet beseffen dat de gekleurde wereld die we meestal zien een illusie is. De dingen hebben geen kleur van zichzelf; die wordt er opgelegd door het licht, dat zelf ook wit is. De wereld is als een opgeschilderde hoer, die met haar felle kleuren haar dodelijke ziekte niet kan verbergen.

,,En zoals eigenzinnige reizigers in Lapland, die weigeren gekleurde glazen te dragen, zo staart de ellendige ongelovige zich blind op het monumentale witte doodskleed dat alles wat hij ziet omhult'', tekent Ishmael op.

De dichter K. Schippers schreef: ,,Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is.'' Het is een beroemde regel die nog eens de titel van een kinderboek is geworden. Het lijkt een vrolijke regel, maar is dat niet. Wie goed om zich heen kijkt en dan de kleuren ziet, ziet ze niet als een vanzelfsprekendheid, maar als iets dat op de dingen is aangebracht om hun kleurloosheid te verbergen.

De blik waar de dichter het over had is de blik van de persoon die Ishmael `de ellendige ongelovige' noemde. De eigenzinnige reiziger die de illusie weigert die een gekleurde bril hem zou verschaffen, en die zich daardoor blind staart.

Het is ook de blik van de fobicus. De psycholoog Johan Barendregt, die veel fobici behandelde, dacht dat hun schijnbare angsten niet de echte waren. Smetvrees, pleinvrees en angst voor spinnen, daar ging het eigenlijk niet om. Dat waren eerder afleidingsmanoeuvres die de patiënten gebruikten om een dieper liggende angst te ontwijken; de angst voor de betekenisloosheid van de dingen.

Als die angst toesloeg, was zelfs een stoel geen stoel meer, maar slechts een verzameling van zintuigelijke indrukken. Niets was meer echt, zelfs het eigen lichaam niet, dat de patiënt voorkwam als een marionet of een computer. De patiënt zag geen samenhang meer in de wereld en, zoals een van hen het uitdrukte, hij verloor tijdens zo'n angstaanval het geloof in de illusie van het ik.

Het lijkt een beetje op beschrijvingen van waarnemingen onder invloed van LSD, met het verschil dat de fobici geen vreemde dingen zagen. Alles was zoals het altijd was. De zintuigelijke waarnemingen waren niet anders geworden, maar ze werden niet meer gebonden door de illusie van betekenis en samenhang, die de verschijnselen niet uit zichzelf hebben, maar die er door ons in moeten worden gelegd.

In zekere zin zag de fobicus de wereld zoals die was en dat was onverdraaglijk. Ook hij was als de reiziger die geen gekleurde bril droeg om het barre poollandschap te verzachten. Alleen was het niet uit atheïstische eigenzinnigheid. Hij kon niet anders.

Zo lijkt het atheïsme de tot filosofie gerationaliseerde ervaringswereld van de fobicus, die er onder lijdt. De atheïst is geen fobicus en hij lijdt niet, tenminste nu niet.

Er is veel gebeurd sinds Melville zijn meesterwerk schreef en de moderne atheïst is niet meer de `ellendige ongelovige' van Ishmael. Hij kijkt het sneeuwlandschap recht in het gezicht, zonder angst en zonder blind te worden. Hij kan zichzelf feliciteren, en doet dat ook graag.