Het raadsel van de aankomst

Wonen begrijp ik, maar wat is `woonachtig'? Schilderachtig: als was het een schilderij, sprookjesachtig, schaapachtig. Ik woon niet in Nederland, ik ben er woonachtig, ik doe alsof ik er ben en ik ben de enige die het in de gaten heeft. Mijn spullen liggen her en der verspreid, door acht sterke mannen zijn ze op een regenachtige dag uit de container gehaald en her en der neergezet, sommige dozen heb ik geopend uit nieuwsgierigheid, maar ik heb ineens niets meer met mijn spullen. Heet dat onthechting?

Ik loop door mijn huis met de handen in de zakken, ik kijk naar het pas geschilderde plafond, de kozijnen zijn ook fris in de verf, een mooi huis eigenlijk, dat ik langgeleden kocht om mijn spullen te kunnen bewaren. Ik heb de laatste twee maanden geleefd `uit de koffer', zoals dat heet. Zeven hemden, zeven paar sokken, ik raakte niets kwijt want ik had niets om kwijt te raken. En nu zijn de spullen er, na een lange tocht over de oceanen van India naar Nederland, want ik heb drie jaren in India gewoond. Wat moet een mens met zoveel spullen, waarom heb ik dit allemaal ooit aangeschaft?

Ik zit in de serre koffie te drinken uit een plastic bekertje. De echte kopjes zijn in een doos verborgen, maar deze plastic bekertjes zijn echt genoeg. Twee Roemeenssprekende mannen bouwen een keuken, want die moest ook weer nodig vernieuwd, een nieuwe vaatwasmachine, een nieuwe oven, ach, ze doen maar. Het zal ergens voor nodig zijn, maar op de plek die ze met ergens aanduiden ben ik niet.

De tuin is verwaarloosd, maar ik heb geen redenen om dat op te merken, ik heb niets met planten, wat mij betreft asfalteren ze gans de wereld. Koffie wordt wel sneller koud in plastic bekertjes, misschien zijn echte koppen daarom beter, maar als je nu eens sneller drinkt? De buurvrouw, de allervriendelijkste buurvrouw die men zich maar kan wensen, komt binnen en vraagt of het goed gaat met de verhuizing. Met de verhuizing gaat het goed, heel erg goed, met de verhuizers ging het ook goed, maar over de verhuisden onthoud ik mij van een oordeel.

Mis ik India? Ik moet toch een verklaring vinden voor mijn lethargie, mijn weigering om mijn spulletjes uit te pakken, mijn weigering om verhuisd te zijn, het missen van India kan het goed verklaren, maar ik mis India niet. Een op de drie mensen op aarde woont in een sloppenwijk en ik had in India een huis met drie verdiepingen, op de bovenste verdieping kwam ik bijna nooit. Die bovenste verdieping kan ik dus al helemaal niet missen.

Twintig jaar woonde ik in Suriname, eerst in een huis waar mijn ouders bij elkaar waren, daarna in een huis toen ze uit elkaar gingen. Ik heb dus geen ouderlijk huis en dat is tamelijk lastig. Mensen wonen niet in landen of steden, ze wonen in huizen, die huizen hebben een betekenis, meestal betekenen ze dat je er beschermd bent, dat je een gevoel van thuis zijn hebt. Nu er geen officieel ouderlijk huis was, was weggaan van huis ook niet zo'n kwestie. Vraag het aan alle landverlaters, ze zullen moeten toegeven dat ze geen thuisgevoel hadden.

Ik wilde wraak nemen, dat gemis opheffen, althans niet overdragen op mijn kinderen. Twintig jaar woonde ik in Nederland en ik zorgde voor een huis met een hypotheek in een dorp zonder onthuisden, want zo zou je allochtonen ook kunnen noemen. De handicap van het migrantenschap pakte ik rigoureus aan, ik zou een kunstbeen nemen dat van echt niet te onderscheiden was. Nooit meer verhuizen was mijn droom, lekker veel spullen kopen en ze allemaal ergens neerzetten en op zolder de tekenschriften opbergen van toen de kinderen drie waren en ze een rondje maakten met stralen en daaronder een huisje en een boom en een poppetje dat meestal te groot is voor het huis en daaronder kriebelig geschreven `voor papa'.

Die tekeningen zijn meegegaan naar India en ze zijn teruggekomen naar Nederland. Ze zullen in een doos zitten met daarop in Indiaas handschrift het woord `miscellaneous'. Gemengd, onbestemd, nergens onder te brengen, ik zou ook in zo'n doos moeten kruipen en op die manier gaan horen bij een op de drie mensen op aarde, want waarom hebben mensen meer nodig dan een doos om in te wonen? De schouwburg van Amsterdam heeft een deel van het trottoir ingepikt en van automatisch opengaande glazen deuren voorzien. Het is net een serre, op het Leidseplein, en een dakloze heeft dat tot zijn thuis gemaakt. Zolang hij daar zit is hij niet dakloos, maar juist als het regent wil hij zijn serre verlaten om naast Hotel Americain op een stoep te gaan zitten. De man heeft iets met regen en met zijn geelwitte baard houdt hij de regendruppels tegen als hij een shagje draait. Maar ook hij heeft spullen, in twee grote plastic zakken die hij overal meesjouwt. Een dezer dagen zal ik hem vragen wat hij in die zakken heeft en de inventaris zorgvuldig noteren. Misschien vraag ik hem wel om met mij te ruilen, hij zal langer bezig zijn met noteren.

De Roemeenssprekende mannen nemen een pauze, ze eten boterhammen en klagen over het beleg. Mannen klagen eeuwig over hun vrouwen, als iets universeel is, is dat het wel. Vrouwen klagen waarschijnlijk ook over hun mannen en over mij valt veel te klagen. Niet alleen om wat ik verkeerd doe, maar vooral om wat ik helemaal niet doe. Dozen uitpakken, spullen een plaats geven, aanpakken, een thuis maken.

Ik had nooit naar India moeten gaan, het land van de sloppen, waar mensen genoegen nemen met vier wanden van gegolfd zinkplaat en een radio. Mannen die 's ochtends in hun lendendoek op een bankje zitten en hun lichaam jeuken, vrouwen die water gaan halen bij de pomp en niet kunnen klagen over hun mannen die geen spullen uitpakken, omdat er geen spullen zijn. Ik romantiseer niets, begrijp me goed, ik sta juist verre van romantiek, ik leun tegen de tragikomedie aan, zonder erom te kunnen lachen. Maar ik merk wel dat een migrant nooit aankomt.

ramdas@nrc.nl