De sprekende sfinx, maar zelf vaak onwetend

Als Eef Brouwers op 1 januari afscheid neemt van de Rijksvoorlichtingsdienst, zal het beeld van hem bepaald worden door zijn arbeid met het koninklijk huis. Brouwers maakte van alles mee: van Emily tot de drie M's: Máxima, Margarita en Mabel.

Toen Eef Brouwers (64) in 1995 aantrad als hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) waren de verwachtingen hooggespannen. ,,Een veelbelovende benoeming'' kopte het Algemeen Dagblad boven een hoofdartikel. Die belofte gold vooral de gedachte dat de voorlichting omtrent het koninklijk huis – geenszins de enige, maar wel de meest tot de verbeelding sprekende taak van het hoofd van de RVD – een wat moderner karakter zou krijgen, in overeenstemming met de geest van de tijd: niet meer zo formeel, wat menselijker en persoonlijker. En veel informatiever.

Het eeuwige gedraai en gestuntel van de RVD, iedere keer als er met vorstin of haar familie iets aan de hand was, zou tot het verleden kunnen gaan behoren, was de verwachting. Geen hoofddirecteur van de RVD meer die zich zou uitputten in ontkenningen van wat iedereen kon zien (de relatie van Prinses Beatrix met Claus von Amsberg, 1965), of overduidelijk niet de minste kennis had van wat er gaande was (de relatie van prinses Irene met Hugo Carlos de Bourbon, 1964). De noodzaak van zo'n modern voorlichtingsbeleid is trouwens door de jaren heen geconstateerd op kabinetsniveau, voor het laatst in premier Koks notitie over de toekomst van de monarchie uit 2001.

Is dat gelukt? Niet echt, menen sommige waarnemers. Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes heeft er in 1999 in een toespraak als voorzitter van het Genootschap van hoofdredacteuren voor gepleit dat journalisten die een serieuze vraag hadden over leden van het koninklijk huis ook serieus antwoord zouden krijgen. Hij constateert nu: ,,Dat is er onvoldoende van gekomen. Brouwers is iets te vaak in een kramp geschoten, ook in de affaires rond Mabel en Margarita''. Ex-journalist en tegenwoordig pr-adviseur Ton Elias meent dat Brouwers ,,toch te veel de brave, rustige uitvoerder is geweest, een beetje sfinxachtig ook. Niet iemand die de hakken in het zand heeft gezet''.

Inderdaad zijn in Brouwers tijd leden van het koninklijk huis, in tv-interviews en anderszins, op informele wijze gepresenteerd. Maar dat is een beleid dat al bestond onder diens voorgangers, constateert Marja Wagenaar, ex-Kamerlid (PvdA) en kenner van de geschiedenis van de RVD. ,,Van der Voet en Van der Wiel deden dat ook al: denk aan het onverwacht opduiken van Beatrix bij Koninginnedag in Amsterdam in 1988, of de openhartige mededeling [in 1982, red.] dat prins Claus aan `klachten van depressieve aard' leed. Brouwers heeft hier geen nieuwe stappen gezet.''

De verwachting van een frisse wind in de voorlichting rond het koninklijk huis stoelde in 1995 vooral op het feit dat Brouwers kon bogen op een veelzijdige carrière in de journalistiek. Hij was vanaf zijn 17de van alles geweest in de provinciale pers en de omroep – van nederig verslaggever tot aan hoofdredacteur van het Nieuwsblad voor het Noorden. Iemand met zo'n achtergrond zou beter weten wat de pers nodig heeft dan zijn voorgangers bij de RVD, die bijna allen een ambtelijke achtergrond hadden, zo was de gedachte. Hij zou minder schrikachtig zijn, of ambtelijk-voorzichtig.

Daar kwam nog bij dat Brouwers als voorlichter bij Philips, tussen 1983 en 1995, een reputatie van grote openheid en persvriendelijkheid had opgebouwd. Althans onder de Philips-presidenten Wisse Dekker en Cor van der Klugt. Toen in 1990 Jan Timmer aantrad, was het uit met de openheid. Misschien bracht deze ontwikkeling Brouwers er mede toe om in 1995 in te gaan op het aanbod om hoofddirecteur van de RVD te worden. Op een leeftijd, merkte hij zelf destijds op, dat ,,anderen in het bedrijfsleven aan hun pensioen gaan denken''.

Niet iedere journalist is over Brouwers teleurgesteld. Wilma Nanninga, van 1997 tot vorig jaar hoofdredacteur van het weekblad Privé en tegenwoordig hoofd van de Privé-pagina in het dagblad De Telegraaf, roemt hem als ,,erg gedegen en efficiënt, en iemand die goed reageert omdat hij de journalistiek begrijpt''. Wat Nanninga, naar eigen zeggen, erg voor Brouwers heeft ingenomen, is dat hij bereid was om journalistieke primeurs te respecteren.

Dat bleek bijvoorbeeld eind 2001, toen Nederland op z'n kop stond rondom het verleden van de vader van Máxima als lid van de Argentijnse junta in de jaren zeventig. Privé had lucht gekregen van een bezoek van deze vader aan de koninklijke familie. ,,We belden hem toen op maandag voor een bevestiging. Die gaf hij en hij bleek zo sportief om andere media niets te vertellen totdat Privé op woensdag op straat was.''

Nanninga heeft meer goede herinneringen aan Brouwers. Als ze wilde weten of leden van de koninklijke familie ergens zouden verschijnen, en of Privé ergens bij kon zijn, was Brouwers graag van dienst. Haar lof laat een aspect zien van het voorlichtingswerk ten aanzien van het koninklijk huis, dat veelal onvermeld blijft: de presentatie.

Voorbij waren onder Brouwers de tijden dat bij persconferenties cameralieden en fotografen zich op wanordelijke wijze rond hun koninklijke onderwerp verdrongen. Voortaan stond men netjes achter dranghekken en koorden, voorzien van duidelijke instructies ten aanzien van het gebruik van statieven, trapjes of flitsers. De regie ging soms vrij ver: journalisten die op de verlovingsdag van Willem-Alexander en Máxima de persconferentie mochten bijwonen, werden eerst enkele uren in een kelderruimte van het paleis vastgehouden, zodat ze boven niet in de weg liepen.

En als het eenmaal zo ver was, toonde Brouwers – minzaam glimlachend naast de koninklijke personen staande – zich zeer behulpzaam. Bij de verloving van prins Maurits met Marilène van den Broek in december 1997 verzocht hij het paar zelfs om hun kus voor de fotografen nog eens over te doen. Ook het huwelijk van prins Constantijn met Laurentien Brinkhorst in mei 2001 was voor alle betrokkenen een feest zonder journalistieke- of voorlichtingswanklanken.

De problemen ontstonden pas bij ,,de drie M's'', zoals Elias ze noemt: Máxima, Margarita en Mabel. In elk van deze gevallen was er, op de ene manier of de andere, een probleem en daardoor kwam zowel het aanzien van de monarchie als de ministeriële verantwoordelijkheid in het geding. En dan bleek het voor Brouwers, net als voor zijn voorgangers in het verleden, lastig opereren.

De eerste oefeningen in de publicitaire omgang met vriendinnen van de prinsen kwamen met zijn aantreden in 1995. Vrijwel vanaf dat moment heeft Brouwers verklaard dat Emily Breemers, ,,tot de vriendenkring'' van kroonprins Willem-Alexander behoorde, en niets meer – bij zijn weten. Hij volhardde daarin toen de relatie tussen de kroonprins en de Nijmeegse tandartsendochter een langdurige bleek te zijn. Aanvankelijk vooral in de roddelpers, maar later verschenen – met de Volkskrant als pionier – ook in de zogeheten serieuze media steeds meer verhalen over een mogelijk huwelijk tussen beiden, en over beweerde bezwaren van de koningin tegen deze huwelijkskandidaat.

Brouwers werd in zijn ontkenningsbeleid in 1998 gered door de beëindiging van de relatie. Niet zonder enige nadruk kon de hoofddirecteur van de RVD eraan herinneren dat hij het altijd al gezegd had: niets serieus. Maar het was de pers wel duidelijk geworden dat je aan de RVD weinig had als je iets in de familiesfeer te weten wilde komen over Willem-Alexander.

Het was niet de RVD, maar premier Kok zelf die in 1999 aankondigde dat de kroonprins met de Argentijnse Máxima een ,,vriendschap'' onderhield en het zou ook de premier zijn die – met een extern onderzoek en de beslissing de vader van de bruid van het huwelijk te weren – de problemen van de echtverbintenis van de troonopvolger zou oplossen. Volgens Wagenaar laat die gang van zaken goed zien dat er grenzen zijn aan het veelgehoorde, moderne adagium dat problemen met ,,goede communicatie'' kunnen worden opgelost, en bijna alles een zaak van beeldvorming is. ,,Bij echt belangrijke kwesties moet de politiek de oplossing bieden en is, ambtelijk gezien, niet de RVD aan zet, maar eerder de secretaris-generaal van het ministerie van Algemene zaken van de premier.''

Brouwers, die zich in de maanden voor de verloving wederom voornamelijk met ontkennen had bezig gehouden, kwam pas weer echt in beeld toen het probleem al voorbij was: bij de perspresentatie van de verloving, en de tournee die Máxima en Willem-Alexander na hun huwelijk langs de provincies maakten.

Bij de tweede affaire M. bevond het hoofd van de Rijksvoorlichtingsdienst, inmiddels opgestegen tot de ambtelijke rang van directeur-generaal – met een salaris in de buurt van dat van de premier – zich echter in de voorste linies. In maart van dit jaar wendde prinses Margarita, een dochter van Prinses Irene die niet behoort tot het koninklijk huis en derhalve ook niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt, zich tot de media met een reeks van grieven jegens de vorstin, het hof en de regering. Zij zou met haar man, De Roy van Zuydewijn, zijn gekleineerd, zakelijk benadeeld en bespioneerd en eiste genoegdoening. Naar achteraf bleek, was Brouwers eens ingezet om een gesprek met de gegriefde Margarita te voeren, toen deze op kabinetsniveau gehoor eiste en nog niet de publiciteit had gezocht. In maart verklaarde Margarita in een interview met het tv-programma Nova, dat zij bij die gelegenheid was afgeluisterd – ze had de microfoon duidelijk zien zitten. Brouwers, die tot dan toe de indruk had gewekt alsof Margarita's media-uitingen hof en regering in het geheel niet konden deren, verklaarde zich over deze uitlatingen zwaar beledigd: ,,Niemand wordt in mijn kantoor afgeluisterd''.

Samen met premier Balkenende gaf hij vervolgens een humoristisch getoonzette persconferentie, aan het slot waarvan in Brouwers werkkamer werd gepresenteerd wat Margarita voor een microfoon zou hebben aangezien: een schroef waaraan eens een schilderijtje had gehangen. Deze poging om Margarita's geloofwaardigheid een zware slag toe te brengen werd echter onmiddellijk tenietgedaan toen bleek dat haar klacht over het spionneren zo gek nog niet was: er had ten aanzien van haar ten paleize impopulaire echtgenoot een BVD-onderzoek plaatsgevonden, waarvan het kabinet niet op de hoogte was geweest. De premier moest over de zaak in de Tweede Kamer spitsroeden lopen.

En nog waren de problemen voor Brouwers in 2003 niet ten einde. In de zaak van prins Friso's verloving met Mabel Wisse Smit deed de RVD, namens Wisse Smit een aantal verklaringen uitgaan over haar verhouding tot de onderwereldfiguur Bruinsma, die onderling tegenstrijdig waren. Die gang van zaken moest Brouwers achteraf goed maken met de staatsrechtelijk niet steekhoudende opmerking, dat de RVD hier slechts had gefungeerd als `service-instituut' voor Wisse Smit en de premier geen verantwoordelijkheid droeg voor de inhoud ervan. Pas nadat de Toestemmingswet voor het huwelijk van Friso door de premier was afgeblazen, kon Balkenende ook weer verantwoordelijkheid erkennen voor deze communiqués.

Prins Friso was trouwens al eerder, in 2001, aanleiding geweest tot een actie van Brouwers die alom bevreemding wekte: het RVD-communiqué waarin werd verklaard dat de prins géén homoseksueel was. Dat gebeurde, liet Brouwers toen weten, vooral op verzoek van de prins zelf: ,,Het zat hem hoog''.

Als hoofd van de RVD heeft Brouwers méér op zijn naam dan de voorlichting over het koninklijk huis. De dienst steeg in de prioriteiten van het kabinet – vandaar ook Brouwers' ambtelijke opwaardering van hoofddirecteur tot directeur-generaal. De RVD zal zich ontwikkelen tot de spil van alle overheidsvoorlichting – politiek geen onomstreden streven. Brouwers heeft verder, merkt Wagenaar op, in de persoon van Gerard van der Wulp voor een sterke opvolger gezorgd, in ambtelijk Den Haag geen vanzelfsprekendheid.

Maar bij zijn afscheid zal het beeld van Brouwers voor een groot deel bepaald worden door zijn arbeid met het koninklijk huis, dat de laatste jaren al zijn tijd en aandacht opslurpte en op sommige momenten in kluchtigheid de vergelijking met de RVD-belevenissen in de jaren zestig ruimschoots kon doorstaan.

Was het ook Brouwers schuld? Nauwelijks, menen de waarnemers. ,,Het is een onmogelijke functie'', denkt Elias. ,,Je kunt over een zaak alleen maar goed voorlichten wanneer je er alle ins en outs van kent''. En dat is niet het geval, weet Wagenaar: de RVD woont wel elke week de ministerraad bij, maar het wekelijks overleg tussen premier en vorstin blijft voor de RVD-chef gesloten. ,,Vermoedelijk houdt zowel koningin als premier de RVD onwetend van veel zaken, zodat deze niet hoeft te liegen''.

Maar het resultaat is dan wel dat de RVD-chef zijn strijd met de pers en de geruchten ,,alleen en eenzaam moet voeren'', constateert Broertjes. ,,Het moet voor Eef niet altijd makkelijk zijn geweest'', denkt ook Nanninga: ,,Ik heb vaak gemerkt dat hij verrast werd door wat wij uit onze eigen bronnen aan het hof hadden opgeduikeld.'' ,,Hij moet geleden hebben'', denkt Broertjes, ,,want hij is een gevoelige man die zich kritiek aantrekt. Wat dat betreft is de kritiek onrechtvaardig. Hij had gewoon niet de ruimte om assertiever te zijn.''