Het wild is vogelvrij in Zimbabwe

De helft van de wilde dieren in Zimbabwe is de laatste jaren uitgemoord. Stropers beleven gouden tijden. Buitenlandse jagers maken misbruik van de anarchie.

Een giraffe loopt als een staatsman. Zijn trage, stramme pas, een tikkeltje arrogant, dwingt bij zelfs de meest onbehouwen omstander eerbied af. Maar het jonge dier langs de asfaltweg naar Hwange National Park, het grootste wildreservaat in Zimbabwe, lukt het niet meer deftig te zijn. Door de etterende vleeswond aan zijn voorpoot stapt hij niet meer, hij strompelt. Peter Blinston ziet het ook en ondertekent direct zijn doodsakte. ,,Morgen maken we hem af.''

Sinds 1996 werkt Blinston in het Gwayi natuurreservaat, aan de oostrand van het Hwange park. Hij onderzoekt er de met uitsterving bedreigde wilde gestreepte hond. De afgelopen twee jaar is de Britse onderzoeker ook puinruimer geworden, scherprechter in een park waar wilde dieren niet langer veilig zijn voor stropers en hun vallen.

Meer dan drieduizend strikken vonden hij en zijn collega's de afgelopen zes maanden in het reservaat. Op zijn kantoor laat hij de foto's zien van de jongste slachtoffers. Dikke kabels hebben de kelen van de honden centimeters diep dichtgetrokken. Een vrouwelijke collega legt afbeeldingen op tafel van olifanten met afgehakte slurven en oren waar het prikkeldraad is ingegroeid. Collateral damage heten de dieren, onbedoelde schade. Stropers zijn vooral geïnteresseerd in vleesbonken als antilopen en zebra's en laten al het andere rottend achter in hun val.

In Zimbabwe wordt al zolang gestroopt als er wilde dieren zijn, herinnert Blinston. Door boeren en dieven. ,,Maar wat ons de afgelopen twee jaar onder ogen komt, is ongehoord.'' Volgens officieuze schattingen is inmiddels vijftig procent van de wilde dieren uitgemoord. In het zuiden van Zimbabwe zou zelfs tachtig procent van de dieren zijn verdwenen.

De voedseltekorten in Zimbabwe jagen de stroperij aan. Het leven van naar schatting zes miljoen Zimbabweanen ligt in handen van hulporganisaties. In het verdorde, droge land rond Hwange Park is landbouw onmogelijk. Roofdieren vreten hier het vee aan stukken. Het vlees van de wilde dieren in het park betekent voor sommige bewoners van dorpjes als Gwayi River, Dete en Hwange het verschil tussen leven en dood.

Toerisme zou in het noordwesten van Zimbabwe de belangrijkste inkomstenbron moeten zijn. Hwange park staat als een van de beste wildparken bekend in Afrika. Hier kom je in een kwartier meer olifanten tegen dan in een week in het Zuid-Afrikaanse Krugerpark. Hier heb je een luxe hotel met een terras vol olifanten helemaal voor jezelf. Want toeristen zijn angsthazen en mijden sinds het begin van de politieke chaos drie jaar geleden Zimbabwe als de pest.

Vooral de particuliere wildboerderijen rond het nationale park lijden en niet alleen door het gebrek aan toeristen. Vier maanden geleden raakten de broeders Thijs en Pen de Vries verwikkeld in het grimmige politieke spel dat landhervormingen heet. Forse mannen zijn het, met grote buiken en stoere zonnebrillen. Maar nu kijken ze op de parkeerplaats voor een van de hotels bij Hwange Park even schichtig als een impala.

Ze zijn zojuist nog langs de boerderij gereden waar afgelopen juli vijf wagens vol dronken en gedrogeerde jeugd voor de deur stonden. Ze kregen drie uur om de boel te pakken op het land dat pa de Vries 44 jaar geleden had gekocht. ,,Als we nu dat land oprijden, maken ze ons af'', verzekert Pen.

De broers de Vries hebben een naam rond Hwange Park. Steenrijk zijn ze geworden van de buitenlandse jagers die de afgelopen vier decennia op hun boerderij op wild mochten schieten. Een olifant schieten kostte 15.000 Amerikaanse dollars. Die – legale – jacht hield de wildstand overeind, zeggen de broers. Met het geld werden waterpompen gerepareerd en stropers opgespoord.

Sinds de komst van de `oorlogsveteranen' die op last van de Zimbabweaanse regering het land van de broers in beslag namen, is de wildstand dramatisch uitgedund. De wilde dieren stillen de honger van de nieuwe bewoners, maar zijn ook ten prooi gevallen aan jagers die de politieke chaos in Zimbabwe aangrijpen om goedkoop hun trofeeën te schieten.

,,Daar rijdt er één'', roept Thijs de Vries richting een terreinwagen met een Zuid-Afrikaans nummerbord en steekt zijn gebalde vuist in de lucht. De jagers zijn een week geleden op hun land gezien waar ze voor een enkele tientallen euro leeuwen hebben geschoten. De staatskranten bevestigen de illegale jacht op onteigende boerderijen in Zimbabwe. Een hongerige oorlogsveteraan is makkelijk omgekocht. In de krant Chronicle belooft het ministerie van Toerisme een diepgravend onderzoek.

,,Daar komt niets van terecht'', voorspelt Johny Rodriquez van de Zimbabwe Conservancy Task Force, de nationale anti-stropers eenheid. Rodriquez is een nerveuze man, die in een hotel in Harare de ene sigaret na de andere rookt. Hij is de afgelopen zes weken vier maal met zijn leven bedreigd. Zijn huis is leeggeroofd, zijn vrachtwagens gestolen en zijn paspoort in beslag genomen.

Rodriquez heeft de regering kwaad gemaakt met een lijst waar 3.800 namen op staan van politici en vooraanstaande zakenmensen in Zimbabwe die goud geld verdienen aan georganiseerde stroperij. Hij noemt de zeventig zwarte paardantilopen uit Masvingo, die aan Dubai zijn verkocht. Hij noemt de vierhonderd olifanten die president Mugabe in 1990 nog onder zijn `presidentiële bescherming' nam maar die nu toch mogen worden gejaagd.

,,Deze regering rooft haar belangrijkste bodemschat leeg. Het zal zeker vijftien jaar duren om de gedane schade te herstellen. Als het stropen nu niet stopt, hebben we over vijf jaar niets meer te beschermen.''