Dierlijke vetten in aardewerk leveren betrouwbare datering

Dierlijke vetten die zijn achtergebleven in de wanden van oud aardewerk kunnen helpen bij een betrouwbare datering. Een team van de University of Bristol onder leiding van chemicus Richard Evershed heeft de door hen ontwikkelde nieuwe dateringsmethode al met succes gevalideerd (Analytical Chemistry, 1 okt).

Sommige soorten aardewerk zoals het Romeinse terra sigilata zijn op grond van uiterlijke kenmerken makkelijk te dateren, maar vooral bij ouder en grover aardewerk kwamen archeologen tot nu toe in de problemen. Er bestaat al wel een natuurwetenschappelijke dateringsmethode voor aardewerk, thermoluminescentie, maar die is niet zo nauwkeurig als de C14-dateringsmethode voor organisch materiaal. Etensresten in aardewerk zijn wel met die betrouwbaardere C14-methode te dateren, maar zijn vaak in aanraking met grond geweest, `vervuild' geraakt en niet meer bruikbaar voor een betrouwbare datering.

Evershed en zijn collega's waren al enige tijd bezig met onderzoek van organische resten in aardewerk uit de Steen-, Brons- en IJzertijd in Groot-Brittannië. Zo ontdekten ze dat de mensen al zesduizend jaar geleden aan zuivelbereiding deden. De chemici realiseerden zich toen ook dat dierlijke vetten, lipiden, niet alleen aan het oppervlak, maar ook in de poriën van de ongeglazuurde potten zijn achtergebleven. Verder beseften ze dat de vetten ook werden gebruikt om potten waterafstotend te maken en verwerkt zijn in smeermiddelen, cosmetica, zalfjes, parfums en vernissen - dus in heel veel aardewerk. Maar het was de kunst om de vetten en het aardewerk te scheiden. De chemici nemen daarvoor een stuk van een pot en malen die tot poeder. Met gaschromatografie isoleren ze de lipiden, die vervolgens met een deeltjesversneller C14 worden gedateerd.

Als proef hebben de Britten vijftien reeds gedateerde potten uit de periode tussen 4000 vóór en de vijftiende eeuw na Christus blind opnieuw geanalyseerd. Iedere keer stemde hun vetdatering overeen met de al bekende gegevens.