Wie ben ik

In zijn essays probeert Montaigne zichzelf te leren kennen. Voor zijn lezers fungeert hij als filosofische gids. ,,De essays zijn een poging tot vriendschap met het bestaan.''

Van Michel Eyquem de Montaigne, die leefde van 1533 tot 1592, wordt altijd gezegd dat hij zijn tijd ver vooruit was; en dat moet een van de redenen geweest zijn dat ik hem zo lang links heb laten liggen. Je tijd vooruit zijn – bestaat er een dodelijker compliment? Er zit schuldgevoel in die uitdrukking, die meestal wordt gebruikt voor mensen wier werk onze tijd niet veel meer te zeggen heeft. Die indruk had ik ook van Montaigne, de Fransman die op tweederde van zijn leven besloot zich terug te trekken uit het openbare leven en zich verschanste in de bibliotheek van zijn geërfde landgoed in de buurt van Bordeaux om zijn eigen ik te gaan beschouwen. Hij dacht na en schreef, terwijl om hem heen de wereld gek werd en hele hordes elkaar afslachtten in naam van de godsdienst. Montaigne is de vader van het essay, zijn almaar uitdijende bundel met honderdenzeven hoogstpersoonlijke verkenningen, gaf het literaire genre zijn naam. En natuurlijk geldt hij nu nog als een voortreffelijke scepticus, een sublieme heldere geest, een man die weliswaar niet tornde aan de dogma's van het katholicisme, maar er ook niet voor terugschrok achteloze vraagtekens te zetten bij alle aannames van zijn eigen tijd. Zijn essays waren letterlijk probeersels – vrije denkoefeningen die hem sierlijk en soms riskant deden slalommen tussen de leerstellingen en geloofsartikelen van de late Renaissance. Montaigne was geen opzichtige revolutionair; hij schikte zich keurig naar de geboden van zijn tijd; toen het Vaticaan na het verschijnen van zijn Essais om aanpassingen van al te religieus riskante passages vroeg, hanteerde hij gehoorzaam zijn rode potlood.

Zijn opvattingen, voorzover ik die indirect tegenkwam, leken me voorbeeldig – in zijn essays keerde Montaigne zich tegen de hysterische wreedheden van zijn tijd, toonde aan dat bekentenissen die door marteling waren verkregen, als bewijsmateriaal weinig om het lijf hadden; hij liet zien dat kannibalen in sommige opzichten misschien wel beschaafder waren dan wijzelf. Hij geloofde, anders dan de meeste van zijn tijdgenoten, niet in hekserij. Preuts was hij ook niet, hij kon zonder schroom bladzijden lang uitweiden over mannen die zo bang zijn voor impotentie dat ze hem ook werkelijk niet meer omhoog kunnen krijgen en over de extra erotische kracht van de vagina van een verlamde vrouw, iets dat hij persoonlijk getest had. Bovendien was Montaigne zich van zijn geestelijke beperkingen bewust, het beroemde persoonlijke motto – wat weet ik? – liet niets te raden over; Montaigne was even bescheiden als hij nieuwsgierig was. Montaigne was verstandig, tolerant, stond open voor wat onbekend was. Hij was, kortom, de volmaakte humanist – en dan ook nog eens het essay uitvinden. Inderdaad, zijn tijd ver vooruit.

De verschrikkingen die om Montaignes toren raasden zijn eerder toe- dan afgenomen. Er is vooruitgang geboekt – vooral in de methoden om mensen massaal uit te roeien. Middeleeuwse bloeddorst wordt wereldwijd afgekeurd, maar de menselijke wreedheid en moordzucht bedient zich nu van de taal van de rede. En zijn humanisme, ach ja het humanisme – het humanisme is telkens opnieuw machteloos gebleken tegenover al die wrede aanvechtingen van de mens. In de afgelopen eeuw is het humanisme weggevaagd door de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. De bescheiden redelijkheid van de navolgers van Montaigne bleek kansloos met zijn bedeesde nadruk op individualiteit en persoonlijke integriteit in de verbeten ideologieën van na die oorlog. Ja, achteraf, na de slachtingen, na de verdwaasde ideologische ontsporingen, toen de bloedrode mist van waanzin weer langzaam optrok – dat was het moment dat de humanisten weer naar voren geschoven werden en gehuldigd als symbool van de menselijke redelijkheid. Zo gaat het altijd: het oprechte humanisme keert altijd terug als het leed geleden is. En de beste humanisten – Raymond Aron, Camus, Gandhi, Mandela, en ja, ook Montaigne – worden eerst veracht en genegeerd – men heeft het gewoon te druk met elkaar de strot af te snijden – en dan schuldbewust geëerd. Ze zijn het doekje voor het bloeden.

Montaigne bleek zich niet zo onaangedaan uit de wereld te hebben teruggetrokken als ik altijd had gedacht. Hij had zware klappen te verduren gehad – zijn hartsvriend, zijn collega-magistraat Étienne de la Boétie was in 1563 plotseling gestorven aan dysenterie. De Essais, zo bleek, waren geen genoeglijke verkenningen. Ze kwamen voort uit verlies en wanhoop.

Dat verlies is de rode draad in Montaignes essay `Over vriendschap'. Van alle sociale relaties van mensen onderling beschouwde Montaigne vriendschap als de hoogste. En te midden van alle vriendschappen op de wereld spande zijn vriendschap met De La Boétie de kroon. ,,Sinds de dag dat ik hem verloor leid ik een kwijnend en lusteloos bestaan. Ook de genoegens die mij geboden worden, maken in plaats van mij te troosten het verdriet over zijn verlies dubbel zo erg. Wij deelden alles. Ik heb het gevoel dat ik hem van zijn deel beroof (...) Ik was er al zo aan gewend en op ingesteld om in alles één van de twee te zijn, dat het nu is of ik niet meer dan een half mens ben. (...) Ik mis hem bij alles wat ik doe of denk, zoals hij ook mij gemist zou hebben.''

Dat gemis was geen knagend gevoel, het was een algehele desillusie. Met de dood van La Boétie verloor Montaigne ook zijn greep op het leven. De natuurlijke verhouding met zijn omgeving was verstoord; de vriendschap die hem in zijn bestaan had verankerd, was nu veranderd in een dof gevoel van gemis. In zijn zelfgekozen isolement in zijn toren moet hij gedacht hebben troost te vinden. Weg van de wereld zou hij bescherming vinden en rust.

Dat viel tegen. In de stilte van de toren wachtten verschrikkingen. In het essay `Over ledigheid', het achtste dat hij schreef, geeft hij zijn misvatting toe: ,,Toen ik mij niet zo lang geleden op mijn landgoed terugtrok, vastbesloten om mij, in zoverre dat mogelijk was, om niets anders te bekommeren dan hoe ik het weinige dat me nog van het leven restte, in rust en afzondering door zou brengen, leek het me dat ik mijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem in staat te stellen zich in totale ledigheid met zichzelf bezig te houden. (...) Maar ik merk (...) dat de geest integendeel, als een op hol geslagen paard, zichzelf honderdmaal meer problemen geeft dan hij ooit voor een ander op zich nam; en hij baart me zoveel hersenschimmen en bizarre monsters, de een na de ander, zonder orde en zin, dat ik begonnen ben ze op papier te zetten om ze in al hun vreemdheid en onzinnigheid op mijn gemak te overdenken, in de hoop daar op den duur mee te bereiken dat hij zich voor zichzelf schaamt.''

Dat laatste moeten we maar als een voorbeeld van Montaignes valse bescheidenheid beschouwen – hij was een meester in het zichzelf voor joker zetten. Telkens weer spreekt hij de angst uit dat hij de lezer zal vervelen met zijn zelfonderzoek, steeds opnieuw zet hij een dikke streep onder zijn eigen onvolkomenheden, hij praat te veel over zichzelf, hij weet niks, hij heeft te weinig gelezen, hij spreekt zijn talen slecht, hij is te klein om gezag uit te stralen, hij raakt steeds de draad kwijt, heeft een geheugen als een vergiet, laat zich te veel door zijn verbeelding op sleeptouw nemen, denkt dat een ander het altijd beter heeft dan hijzelf.

In Het beroemde woordje dat hij aan de uitgave van zijn essays vooraf liet gaan, schrijft hij: ,,Had ik in een van de landen geleefd waar, zoals dat heet, de zoete vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten nog heerst, dan had ik mij heel graag, dat kan ik U verzekeren, van top tot teen volkomen naakt afgebeeld. Derhalve, lezer, ben ik zelf de enige stof van mijn boek.''

De ironie wil dat veel van Montaignes latere lezers zijn essays om precies de tegenovergestelde reden lazen; zij zagen in zijn boek niet een zo intiem mogelijk zelfportret, maar een verzameling objectieve wijsheden, filosofische gedachten en maximes. Montaigne presenteerde zijn essays als niets meer dan een zelfportret, veel van zijn lezers lazen het als zuivere filosofie. Wat was het nu?

De aanleiding tot het schrijven van de essays was ongetwijfeld intens persoonlijk. Het is heel goed mogelijk dat hij met schrijven begon om zuiver therapeutische motieven. Maar Montaigne schreef zijn ellende niet van zich af – hij schreef naar zichzelf toe. Vanuit het achterkamertje van zijn geest – zijn befaamde arrière-boutique – probeerde hij een zo scherp mogelijke blik op zichzelf te richten. De krijsende fantomen in zijn hoofd moesten worden teruggedrongen, de waan ontmaskerd als schijn, de heftige emoties getemperd, de aanvechtingen van zijn gemoed terug in hun hok gejaagd. De essays moesten voorkomen dat zijn melancholie, zijn desillusie met de wereld, in gekte omsloeg. Montaigne wilde niet weten wie hij wilde zijn, maar wie hij wás.

Hoe scherper zijn blik, des te ongrijpbaarder zijn wezen. Montaignes tweede motto had gerust `wie ben ik' kunnen luiden. Telkens weer moest hij vaststellen dat hij, net als iedereen, allerminst een man uit één stuk was. Vrijwel alles wat hij aan zichzelf ontdekte bleek betrekkelijk, sterk beïnvloed door fysieke omstandigheden waar hij geen greep op had: een lege of een volle maag, de warmte van de zon, een likdoorn, een ritje te paard. Alleen bij de dood van een mens zouden lichaam en geest gescheiden worden en aan Gods genade worden overgeleverd; alle andere pogingen van de geest om het lichaam te negeren of eraan te ontsnappen, werden door Montaigne met de grootst mogelijke argwaan bekeken. De roes van de eigenwaan, de extase van de seks of de vervoering van de krijgslust, zodra je al die extreme fenomenen van dichtbij bekeek, bleken ze in alles verrekte menselijk te zijn. Maar alle hoogdravendheid, alle grandioze zelfprojecties en hemelbestormende ideeën hadden de neiging de werkelijkheid te ontkennen. Zoals Montaigne het in een befaamd zinnetje uitdrukt: ,,En ook op de hoogste troon ter wereld zitten we nog steeds op ons eigen gat.''

Die constatering was veel meer dan alleen de waarschuwing tegen holle pretentie. Lichaam en ziel, vond Montaigne, moesten bij elkaar blijven; ze vormden elkaars noodzakelijke tegenwicht. Wanneer de een zich losmaakte van de ander, wanneer een mens zijn geest vulde met louter abstracte ideeën of juist zijn bewustzijn ondergeschikt maakte aan de roes, dreigde de waanzin. Verheven voornemens en beestachtig gedrag sloten elkaar niet uit, ze riepen elkaar zelfs op.

Wanneer je de essays leest, valt op hoezeer Montaignes levenshouding samenvalt met zijn opvatting van vriendschap. De ideale verhouding die hij met zijn vriend De la Boétie had onderhouden (,,een warmte die niet brandt en verzengt'') zocht hij ook in zijn relatie met zichzelf. En zijn zelfonderzoek deed hem vanzelf om zich heen kijken. Je kunt zeggen dat Montaigne door middel van zijn essays vriendschap probeerde te sluiten met de wereld.

De mens Montaigne was zijn eigen filosofie, in een zo letterlijk mogelijke zin. In zijn laatste essay `Over de ervaring', verdedigde hij zich weer tegen die zeurende stem in hemzelf die hem van egomanie beschuldigde: ,,Meer dan enig ander onderwerp bestudeer ik mijzelf. Dat is mijn metafysica; dat is mijn fysica.''

Dat laatste zinnetje zegt alles. Het is meer dan een plaagstoot richting Aristoteles, het legt de ziel van Montaignes onderneming bloot. De essayist twijfelde niet aan God, maar God en Zijn genade waren niet van deze wereld. Het menselijke verstand was niet in staat hem te bereiken of te beredeneren; alleen een handvol heiligen en asceten lukte het om God in dit leven nabij te komen. God stond buiten de wereld – en waar je niet over kon praten, daarover kon je maar het beste zwijgen. Het was de taak van de mens om in de wereld te leven, met lichaam en geest. Dat betekende dat een mens zijn lichamelijkheid nooit mocht ontkennen, want ook de meest banale fysieke sensatie – jeuk, honger, pijn, geilheid – liet zien dat hij in contact stond met het leven. Net zo moest de geest van de mens – al zijn gedachten en gevoelens – ook op de wereld gericht zijn.

De betekenis van zijn bestaan, en dus ook de zin ervan, hervond Montaigne al denkende en schrijvende in het feit dat hij Montaigne was, die kleine opdonder vol eigenaardigheden en verlangens, verdriet en rouw, die zich maar moeilijk in kaart lieten brengen. De essays zijn niets anders dan een poging om vriendschapsbanden aan te halen met het bestaan zoals het zich aan ons voordoet. Zowel het lichaam als de geest van de mens is voortdurend geneigd aan de werkelijkheid te ontsnappen, in de roes of de extase. De waan weet zich op ontelbare manieren te vermommen, als manifest en als beleidsnota, als vaste levensovertuiging als fundamentalisme of als het geloof in westerse waarden. Maar juist die zoektocht naar zijn eigen wezen – de ratio achter de Essais – was voor Montaigne een vorm van transcendentie.

Een mens moet door beschouwing zowel een fysiek als metafysisch contact zoeken met zijn bestaan – daarmee was Montaigne niet alleen zijn eigen tijd vooruit, maar ook de onze. In zijn isolement leerde Montaigne dat de zin van het leven zich ophoudt in het nadenken over het leven zelf. Het humanisme van Montaigne is een onzekere zaak, maar het is niets als het niet onzeker is: wie scepsis uitsluit, wie niet steeds opnieuw vraagtekens bij zichzelf zet, verhardt en verkalkt. Onherroepelijk ontwikkelt hij een statisch beeld van de werkelijkheid, dat zich uiteindelijk tegen het individu zal keren. Geen wonder dat Montaigne een bloedhekel had aan leugenaars; de waarheid was al zo ongrijpbaar, de taal zelf al zo onbetrouwbaar, dat je wel verdomd slecht moest zijn om ook nog eens bewust te gaan staan liegen.

De filosofie van Montaigne onttrekt zich dus niet op een veilige manier aan de grote angsten van onze tijd. Het is geen verzameling geruststellende noties over kannibalen en heksen. Montaigne is meer dan de Nelson Mandela van de filosofie; zijn essays zijn gepreoccupeerd met obsessies die zich ook van ons meester hebben gemaakt: de angst voor de geestelijke waan van fundamentalisme op welk gebied dan ook, en de angst voor de totale beestachtigheid van de permanente roes. Een mens wil van nature aan zichzelf en de wereld ontsnappen – of hij wil zichzelf en de wereld op een radicale manier transformeren. Lees de opiniepagina's van de kranten, kijk naar de actualiteitenrubrieken op televisie, en je stuit op steeds dezelfde hete hangijzers; angst voor religieuze extase, angst voor morele verloedering. Ook het humanisme blijkt fundamentalistisch te kunnen zijn: om onze eigen menselijkheid te verdedigen, ontzeggen we anderen hun menselijkheid. Om ons te verweren tegen de religieuze of ideologische bedreigingen, verharden we onze noties van individualiteit en vrijheid tot rigide geloofsartikelen.

Nog altijd stellen we ons dezelfde vraag die Montaigne zichzelf stelde: hoe verhoud ik me tot de wereld? Hoewel velen van ons het zonder het vangnet van Gods Genade moeten doen, lijkt onze wereld toch veel op die van de zestiende-eeuwse essayist: de verworvenheden van kennis en wetenschap hebben de persoonlijke grote vragen niet beantwoord. Achter het gebied van onze kennis en ervaring, strekt zich een onbekend niemandsland uit dat je net zo goed God kunt noemen. Wat houdt zich daar op? Er valt niet veel over te zeggen. Maar in de eeuwige afwachting van die antwoorden moet er toch geleefd worden. En voor de meeste mensen geldt nu wat voor de meeste mensen in Montaignes tijd gold: moeten leven in een wereld waarin een likdoorn zich niet laat ontkennen. Het is die likdoorn die onze geest bij ons lichaam houdt. Die likdoorn behoedt voor al te grote woorden, laat ons beseffen dat de totale maakbaarheid van onszelf en de wereld een illusie is. Dat alledaagse fysieke ongemak verbindt onze eigen onvolkomenheid met de onvolkomenheid van anderen.

Met die likdoorn begint Montaignes liefde voor de wereld. Ze herinnert hem eraan dat er buiten ons hoofd, buiten onze toren waarin we ons hebben teruggetrokken, een wereld ligt waar we onherroepelijk deel aan hebben, of we nu willen of niet. En die wereld kunnen we ook niet radicaal veranderen – of we willen of niet. De essayist Montaigne wil de mens ook helemaal niet veranderen. Hij neemt hem zoals hij is, hij pleit slechts voor bedachtzaamheid en matiging: minder sensatie, meer ervaring. Montaignes humanisme is niet het abstracte humanisme van de gedroomde verbroedering van de mensheid, niet het humanisme van de goede democratische mens, niet het humanisme van de universele waarden en de wereldwijde verlichting en de totale eenwording in eeuwig geluk. Het is het humanisme van de mens die zichzelf onder ogen durft te zien. Het is het humanisme van de likdoorn.

Dit is een verkorte versie van een lezing die Bas Heijne op 7 oktober hield als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen. Volgende openbare lezingen op 14 en 21 oktober. Inl.

tel: 050 3635463 www.RUG.nl/studium

Montaignes Essais in vert.: van Frank de Graaff (waaraan de citaten zijn ontleend), uitg. Boom; en ook van Hans van Pinxteren, uitg. Athenaeum.