Nieuwe Duitse politiek door onmacht Europa

Sinds kanselier Schröder vorig jaar zomer Duitslands buitenlandse politiek tot inzet van de Bondsdagverkiezingen maakte, is de vraag gerechtvaardigd waarheen die politiek het land voert en wat de invloed zal zijn op het gemeenschappelijke buitenlandse beleid van de Europese Unie. Een antwoord op die vraag blijft een kwestie van speculatie, zeker zolang het onduidelijk is wat voor de regering in Berlijn strategie is en wat tactiek, wat het product van overwogen beleidswijzigingen en wat voortspruitend uit kortstondig electoraal opportunisme.

Dat laatste was naar het algemene vonnis van de omstanders aan de orde toen Schröder, halverwege de verkiezingscampagne, kwam verklaren dat Duitsland geen steun zou geven aan welke militaire interventie in Irak dan ook, of die interventie nu verordonneerd was door de VN of buiten de volkerenorganisatie om zou worden ondernomen.

Hiermee nam de kanselier internationaal een zo eigenzinnig standpunt in president Chirac leek op dat moment nog te willen bijdragen aan een actie zolang die onder auspiciën van de VN zou plaatshebben dat de beschuldiging van gemakkelijk electoraal voetenwerk voor de hand lag. Het bondsrepublikeinse kiezersvolk immers altijd al wars van militaire avonturen moest niets hebben van de plannen van de regering-Bush om `regimewisseling' in Bagdad gewapenderhand af te dwingen.

Na meer dan een jaar blijft de Duitse koers onduidelijk en omstreden. Inderdaad heeft de kanselier na zijn herverkiezing Duitsland buiten de mêlee in Irak weten te houden. Als straf meer uit een reactie op Schröders kwalificatie `avontuur dan op diens afzijdigheid zelf heeft president Bush hem een tijdje buitengesloten, wat door de christen-democratische oppositie werd aangegrepen om de regering dilettantisme in haar buitenlandse beleid te verwijten.

Inmiddels heeft Bush zand gestrooid over de twist met het land dat Bush sr. nog had gekwalificeerd als de natuurlijke leider in Europa. Bush kan buitenlandse hulp goed gebruiken nu de interventies in Afghanistan en Irak belangrijk meer blijken te kosten dan verwacht, in mankracht en geld. Misschien heeft de president in gedachten de vorstelijke financiële ondersteuning die zijn vader kreeg van landen als Duitsland en Japan toen Amerika zelf te slecht bij kas zat om, behalve in body bags, ook nog in dollars de rekening te betalen. En Schröder van zijn kant doet alles om weer goede maatjes te worden, overigens zonder een pinknagel toe te voegen aan de gebalde vuist die Amerika in het wespennest Irak heeft gestoken. (Vrij naar David Halberstam in M van 4 oktober).

Wat heeft Berlijn zoal toegezegd? Mankracht voor de bescherming van hulpverleners in het Afghaanse Kundus bovenop de Duitse deelname aan ISAF in Kabul en instructeurs voor de opleiding van een nieuwe Iraakse politie. Het is bij elkaar misschien net genoeg om de Amerikanen voorlopig tevreden te houden, hoewel die op den duur meer verwachten van hun oud-Europese bondgenoot.

Dat zijn alle bewegingen aan de oppervlakte. Maar wat gebeurt er onder dat niveau? Het septembernummer van Internationale Politik/Europa Archiv heeft als thema: Neue Deutsche Auszenpolitik. Het gerenommeerde blad van de Deutsche Gesellschaft für Auswartige Politik gaat er dus vanuit dat in de Duitse buitenlandse politiek een verandering is opgetreden. Ook de inleider, Wilfried Freiherr von Bredow, gaat blijkens de titel van zijn bijdrage uit van vernieuwing: Neue Erfahrungen, neue Maszstabe.

,,Het voorkomen van de Duitse buitenlandse politiek heeft zich definitief veranderd'', luidt de openingszin. Bredow heeft het over nieuwe ervaringen die zich in een langzaam maar gestaag proces uitkristalliseren tot nieuwe maatstaven. Hij meent dat gewenning aan het idee van continuïteit en teleurstelling over de uitkomsten van de in 1990 gerezen verwachtingen waarnemers hebben afgeleid van de daadwerkelijk plaatshebbende veranderingen. De voorgeschiedenis van de jongste Irak-oorlog in de herfst en winter van 2002/2003 duidt intussen op een breuk met de veronderstelde continuïteit. Daardoor werd duidelijk hoeveel er feitelijk al veranderd is.

Een breuklijn in het verleden ziet Bredow in 1970 met de doorvoering van de Ostpolitik van de sociaal-democratische/liberale coalitie van destijds. Door het aanknopen van betrekkingen met de DDR, een late reactie op de bouw van de Berlijnse muur in 1961, werd een pragmatische draai gegeven aan de feitelijke aanvaarding van de Duitse deling.

Toen nog werd de positie van de bondsrepubliek omschreven als ,,het West-Duitse deel van de Amerikaanse invloedssfeer, als behorend tot de West-Europese regio, als basis voor de pijler waarop de brug naar Oost-Europa rust.'' Om dat laatste te vervolmaken diende de scherpte van de confrontatie tussen Oost en West te worden weggenomen en ,,het bewustzijn van nationale saamhorigheid der Duitsers in praktische politiek te worden omgezet.'' Deze toestand bleef bestaan tot 1990, rondt Bredow af.

Met 1990 kwam het herstel van de volle soevereiniteit van het verenigde Duitsland, een tweede breuklijn. De bezettingsmogendheden gaven hun laatste prerogatieven op. De auteur erkent dat zwaarwegende redenen konden worden aangevoerd om de continuïteit in de (West-)Duitse buitenlandse politiek te onderstrepen, al was het omdat zowel binnen als buiten Duitsland angst bestond voor wat uit het verenigde Duitsland zou kunnen worden. ,,Het spook van een losgebroken, opnieuw op regionale hegemonie belust Duitsland deed de ronde'', constateert Bredow. Het was daarom verstandig vast te houden aan de Atlantische en West-Europese integratie, de vereffening met de Oost-Europese buren, een bijzondere relatie met Israël, en multilateralisme.

Een schok van gelijke betekenis als `nine eleven' voor Amerika was, bleef Duitsland de afgelopen jaren bespaard, maar het Kosovo-conflict en de voorgeschiedenis van de jongste Irak-oorlog kunnen toch als nieuwe breuklijnen in de Duitse buitenlandse politiek worden gezien.

Kosovo, schrijft Bredow, demonstreerde het Europese diplomatieke en militaire onvermogen om Europa's humanitaire concepten ter verhindering van nieuwe interetnische moorden en slachtpartijen door te zetten. Dat feit en vervolgens de inval van de NAVO in 1999 hebben het Europese Veiligheids- en Verdedigingsbeleid een flinke stimulans gegeven. Daarbij speelde de bondsrepubliek een leidende rol.

De Irak-oorlog had een andere uitkomst: transatlantische moeilijkheden, meent Bredow, bestaan al langer, maar de dramatiek van die oorlog bracht hen aan de oppervlakte. Een constatering die verder reikt dan het Schröder ten laste gelegde electorale opportunisme.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.