Milton

Geboeid las ik het artikel van David Rijser naar aanleiding van de vertaling van Miltons Paradise Lost (Boeken, 26.09.03). Wat mij daarbij enigszins bevreemdde was zijn visie op Miltons Satan: Rijser beschrijft hem als `een meeslepend, energiek, romantisch, brutaal en verleidelijk individu'.

Wat merkwaardig om de personificatie van het Kwaad in het christendom in zulke positieve en aantrekkelijke termen voor te stellen. Zeker, Miltons Satan is een meeslepend en enthousiasmerend spreker (en de redenaarskunst is een gevaarlijk wapen in handen van een charismatisch leider). De vlammende toespraken van Satan doen denken aan die van Hitler, en ook de aartsschurk Iago (na Satan ongetwijfeld de grootste schoft uit de Engelse literatuur) weet met zoete tong zijn generaal Othello in het verderf te storten.

Maar wat brengt Satan ertoe het Paradijs te willen vernietigen? In Boek II overleggen de gevallen engelen onder zijn leiding over hun opties. De oorlog met God voortzetten is zinloos, want ze voelen zich definitief verslagen, en missen de moed tot een nieuwe krachtmeting. Het begrip `genade' bestaat voor hen niet, dus menen ze dat vrede ondenkbaar is. Ze besluiten te roeien met de riemen die ze hebben, en tenminste voor zichzelf een paleis te bouwen in de hel. Uit deze volstrekte machteloosheid en hopeloosheid wordt het idee geboren om, bij wijze van wraak, God te pesten. Ordinair kinderachtig dus, een lafaard die niet durft te vechten, maar wel het speelgoed van andere kinderen kapot trapt. En dat natuurlijk alleen als die andere kinderen niet in de buurt zijn: Satan wijst er fijntjes op dat de zojuist geschapen aarde met het paradijs en de twee mensen geheel aan zichzelf overgeleverd zijn, onbeschermd en zwak. Iago wreekt zich op dezelfde manier op Othello: geen directe confrontatie, maar psychologische pesterij. Zowel Shakespeare als Milton laat ons zien dat niet wreedheid en bloeddorst het diepste kwaad zijn, maar laffe kinderachtigheid.