Titanic of supermacht

Naar aanleiding van het samengaan van Air France en KLM zijn er nogal wat artikelen verschenen waarin de nadruk wordt gelegd op de cultuurverschillen in de Franse en de Nederlandse manier van zakendoen en tot beslissingen komen. De meeste van die artikelen eindigen in mineur: dat zal nooit goed gaan of: de kleinere KLM wordt door de grotere Air France ingepakt.

De toekomst zal uitmaken of die conclusie gerechtvaardigd is, maar nu al kunnen we het merkwaardige feit signaleren dat een andere poging tot samengaan ik bedoel het streven naar eenheid tussen de staten van Europa – zelden aanleiding heeft gegeven tot zulke beschouwingen. Cultuurverschillen werden meestal genegeerd of onder het tapijt van de ene `Europese cultuur' geveegd. Was Europa verder van ons bed dan de KLM?

Niettemin bestaan die culturele verschillen zelfs nog gepronoceerder dan in het zakenleven, want daarin gaat het in laatste aanleg om de cijfertjes, terwijl de politiek ook, zo niet in de eerste plaats, te maken heeft met oncalculeerbare factoren, zoals historische en godsdienstige achtergronden, kortom: cultuur.

Dat dit ook het geval is tussen landen die ogenschijnlijk zo gelijk aan elkaar zijn en in elk geval zoveel gelijke belangen hebben (vooral als kleine landen met grote buren) als Nederland en België, wordt duidelijk bij lezing van het oktobernummer van de Internationale Spectator, dat gewijd is aan de Nederlands-Belgische samenwerking. Ondanks bijna zestig jaar Benelux zijn beide landen zelden zover van elkaar geweest als nu. De crisis om Irak waarin Nederland en België radicaal verschillende standpunten innamen, bewijst dit.

Het gaat er hier niet om uit te maken wie er gelijk had in deze en andere kwesties. Het gaat erom de verschillen, zowel in doelstellingen als in methodiek, niet te verdoezelen. Als bijvoorbeeld, zoals gezegd wordt, België meer Europees en Nederland meer Atlantisch is, dan heeft dat diepe oorzaken, die ook met hun culturele en historische achtergrond te maken hebben, en deze verraden zich ook in de manier waarin ieder land zijn doelen probeert te verwezenlijken.

Overigens is Nederlands Atlantische houding net zo goed Europees, in die zin dat ze gedeeld wordt, zij het niet altijd om dezelfde redenen, door veel andere landen van Europa. Het gaat dan ook niet aan om de politiek van een land meer Europees te noemen dan die van een ander. Ieder land heeft, om een woord van de Gaulle te parafraseren, `une certaine idée de l'Europe', maar die ideeën verschillen.

Waarom verschillen ze? Omdat het idee dat een land van Europa heeft een, meestal onbewuste, projectie is van het idee dat het van zijn eigen samenleving heeft. Zo droomt Frankrijk van Europa als een groot Frankrijk, terwijl Nederland het niet anders kan zien dan als een groot Nederland. Dat is een werkelijkheid die door een Europese grondwet misschien verdoezeld, maar niet ongedaan gemaakt kan worden.

En wanneer straks die grondwet onderworpen gaat worden aan, al dan niet consultatieve, referenda in een aantal Europese landen, dan kan het zijn dat zij, om redenen die heel weinig met de merites van die grondwet te maken hebben, verworpen wordt. Eén land hoeft haar maar te verwerpen, en er is opnieuw een grote Europese crisis – doordat het volk gesproken heeft.

Het `Titanic-scenario', dat een groep van wetenschappers bij het Münchense Centrum für angewandte Politikforschung heeft geschetst, is dan ook niet zó vergezocht. Het voorziet een ,,substantiële bedreiging, zo niet ontbinding van de Europese integratie''. Toegegeven: dit is slechts één van de vijf scenario's die het CAP heeft ontworpen, maar het is zeker geloofwaardiger dan het meest optimistische scenario, dat zich `Europa als supermacht' probeert voor te stellen.

,,De oorzaken van bijna iedere crisis die het `Titanic'-model schetst, doen zich nu al voelen'', schrijft de Frankfurter Allgemeine van 4 oktober, waaraan ik een en ander ontleen: de chronische gevechten om de verdeling van de susidies, de `overhaaste' uitbreiding van de Europese Unie zonder voldoende aanscherping van de besluitorganen, wat `uiteindelijk tot volslagen stagnatie' of tot populistische reacties à la Le Pen kan leiden.

Is het overdreven daaraan de schoffering van het Stabiliteitspact door Frankrijk en Duitsland – om van Italië niet te spreken – toe te voegen? Daardoor wordt op den duur de waarde, zo niet het bestaan van de euro – een essentiële voorwaarde voor een werkelijke Europese eenheid – bedreigd. Het is trouwens de vraag of een gemeenschappelijke munt als de euro is, lang kan bestaan zonder politieke eenheid tussen de deelnemende landen, en die politieke eenheid is – de crisis om Irak heeft het opnieuw bewezen – verder dan ooit.

Maar stel dat al deze moeilijkheden overwonnen worden, dan zou dat nog niet het einde van de cultuurverschillen betekenen. Die zullen zich, hoe dan ook, doen voelen bij het besturen van het Europa dat, met vallen en opstaan, dan zal zijn ontstaan. Het samengaan van Air France en KLM kan hier als paradigma dienen: hetzij als model van harmonische samenwerking, hetzij als voorbeeld van de macht van de sterkste, hetzij als type van mislukte integratie, zoals grote Nederlandse bedrijven wel vaker gekend hebben.