Stemrecht voor baby's?

Het pensioensysteem in veel rijke industrielanden staat onder druk. Mensen leven steeds langer en er worden onvoldoende kinderen geboren om in de toekomst de voor een vergrijzende bevolking benodigde pensioenpremies op te brengen. Overheden doen pogingen de demografische scheefgroei recht te trekken.

Recent heeft Japan bijvoorbeeld de bedragen van de kinderbijslag sterk verhoogd, in een poging paren tot voortplanting te bewegen. In het Duitse parlement is voorgesteld de stemgerechtigde leeftijd te verlagen tot nul jaar. Ouders zouden de stem van hun kinderen onder de achttien mogen uitbrengen. De nauwelijks verhulde bedoeling van deze herziening van het kiesstelsel is tegenwicht te bieden tegen de groeiende invloed van het grijze blok in de stemlokalen. De machtige ouderenlobby blokkeert hervormingen die nodig zijn om te komen tot een beter houdbaar pensioenstelsel.

In ons eigen land steunt het overheidsbeleid hoofdzakelijk op twee pijlers. Ten eerste wil de regering een groter deel van de bevolking inschakelen bij het productieproces. Zodoende ontstaat een breder draagvlak voor de premieheffing voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de aanvullende pensioenen van werknemers. Het zittende kabinet heeft tal van plannen aangekondigd om het stelsel van sociale zekerheid te versoberen. De beperking van aanspraken van werklozen, de scherpere keuring van langdurig zieke werknemers en de beëindiging van fiscale faciliteiten voor vervroegd uittreden zijn bedoeld om meer mensen langer aan het werk te houden. Teneinde betaalde arbeid voor jonge moeders eenvoudiger te maken is het aantal plaatsen in de kinderopvang fors uitgebreid.

De tweede pijler van het pensioenbeleid bestaat er uit een flink deel van de staatsschuld weg te werken. Dit vereist dat de overheid jaarlijks een overschot op de begroting weet te realiseren. Overschotten zijn immers beschikbaar om de overheidsschuld af te lossen. Door de geringere schuld zullen de rentelasten dalen. Zo komt binnen de begroting ruimte vrij om de oplopende uitgaven voor AOW en collectief gefinancierde gezondheidszorg (gedeeltelijk) op te vangen.

Afgaande op cijfers uit de miljoenennota 2004 komt het tekort van de overheid volgend jaar uit op 2,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Zonder forse bezuinigingen en dito lastenverzwaringen was het tekort zelfs opgelopen tot 3,8 procent. Als gevolg van de tekorten van dit en het komend jaar stijgt de overheidsschuld van 233 miljard eind 2002 tot 255 miljard eind 2004, dus in twee jaar tijd met 22 miljard euro. Ook als aandeel van het bbp loopt de schuld op, te weten van 52,4 tot 54,5 procent. De geringe economische groei in deze jaren slaat het fundament onder de tweede pensioenpijler weg.

Bij de algemene financiële beschouwingen over de begroting voor 2004 is de linkse oppositie met alternatieven gekomen. Bij uitvoering van de tegenbegroting van PvdA of GroenLinks neemt de overheidsschuld toe met nog eens 3 miljard euro extra, tot 258 miljard. De schuldquote stijgt hierdoor tot 55 procent van het bbp. Deze ontwikkeling staat haaks op het in ieder geval ook door de PvdA omhelsde uitgangspunt dat de overheidsschuld – niet alleen als aandeel van het bbp, maar ook uitgedrukt in euro's – met het oog op de vergrijzing van de bevolking in de komende vijftien à twintig jaar dient te worden teruggebracht tot beter houdbare proporties. Blijft de overheidsschuld hangen op 50 à 55 procent van het bbp, dan zullen in de wat verder weg gelegen toekomst jongere generaties worden geconfronteerd met sterke lastenstijgingen, en ouderen met forse bezuinigingen op hun AOW-uitkering en de collectief gefinancierde zorguitgaven.

De tegenbegrotingen van links maken het lastiger een blijvend overschot op de begroting te bereiken. Niet alleen doordat de rentelasten (4 procent van 3 miljard) na 2004 blijvend ruim 100 miljoen euro hoger komen te liggen, maar ook doordat bij het linkse alternatief veel bezuinigingen op de sociale zekerheid worden teruggedraaid. Hierdoor vermindert de prikkel voor uitkeringsontvangers om werk te zoeken en brokkelt ook het fundament onder de eerste pijler van het pensioenbeleid af.

Links krijgt steun van vooraanstaande CDA-economen als Kolnaar en Van Muiswinkel, die stellen dat het streven naar overschotten op de begroting de economie verzwakt. Door te bezuinigen en de lasten te verzwaren, verdiept het kabinet de huidige recessie. Op langere termijn tasten bezuinigingen op onderwijs en infrastructuur het groeivermogen van de nationale economie aan. Door het roer om te gooien zouden we de volgende generatie een krachtiger economie kunnen nalaten. Zo ontstaat te zijner tijd voldoende draagvlak om de kosten van de gewenste voorzieningen voor ouderen op te brengen. Actief beleid zou daarom te prefereren zijn boven het passief aflossen van oude overheidsschuld.

Het is echter niet duidelijk waarom groeizaam beleid met behulp van leningen zou moeten worden gefinancierd. Schuldfinanciering beperkt via rente- en aflossingsverplichtingen juist de ruimte op de overheidsbegroting om in de toekomst onze pensioen- en zorgvoorzieningen in stand te houden. Dat besef zou in het politieke debat allicht meer leven wanneer de kinderstem, via hun ouders, ook in het stemlokaal wordt gehoord.