Pieper uit en rustig vragen om een orgaan

Aan nabestaanden vragen om de organen van hun dierbare kan voor artsen en verpleegkundigen moeilijk zijn. Op een cursus leren ze dat zakelijk én invoelend aan te pakken. ,,U bent verdrietig, hè?''

Arts-assistent Alex Appelman vraagt de vrouw die net haar zoon van vier heeft verloren: ,,Hoe is het met u?'' En meteen daarna zegt hij dat er ,,nog twee vervelende vragen zijn''. Hij wil weten of artsen mogen onderzoeken hoe de jongen is overleden, dat is één. ,,Dat betekent dat we Mark moeten opereren'', zegt verpleegkundige Louise van Ameijde. ,,Bij het opbaren is daar niets van te zien.'' De moeder wordt gespeeld door een actrice. Artsen en verpleegkundigen leren in het Amphiaziekenhuis in Breda hoe ze nabestaanden het best om toestemming kunnen vragen voor orgaandonatie. ,,De tweede vervelende vraag is of u toestemming geeft voor orgaandonatie'', zegt Appelman. ,,Met de organen van Mark kunnen we een ander kind helpen.''

De artsen en verpleegkundigen leren op de cursus dat een nabestaande troost zou kunnen vinden in orgaandonatie, dat iemand dan niet voor niets is gestorven bijvoorbeeld. Ze leren dat ze beter met z'n tweeën om orgaandonatie kunnen vragen dan een arts alleen, om elkaar aan te vullen. Ze leren stiltes te laten vallen en de nabestaande bedenktijd te geven, maar niet te veel. Ze leren hun pieper tijdens zo'n gesprek uit te zetten en om ook echt na een uur terug te komen als ze dat beloofd hebben.

Geke Blok, psycholoog en docent aan de Universiteit van Maastricht, zegt dat natuurtalenten onder artsen en verpleegkundigen uit zichzelf rustig en ontspannen gaan zitten. Ze laten merken dat ze de tijd hebben en vragen eerst: `Hoe gaat het nu met u?'. Ze zeggen `u bent verdrietig, hè?' als ze zien dat mensen verdrietig zijn. Of `u bent boos' als mensen boos zijn. En dan vragen ze of de nabestaanden `zouden willen overwegen om te doneren'.

Geke Blok onderzocht of artsen en verpleegkundigen beter worden in het vragen om orgaandonatie als ze een speciale cursus hebben gevolgd, de cursus European Donor Hospital Education Programma, die sinds 1992 ook in Nederland wordt gegeven. De conclusie – ze promoveert er vandaag op aan de Universiteit van Maastricht – is dat artsen en verpleegkundigen er zeker beter in worden. Na de cursus beoordelen ze het effect van hun eigen gedrag anders, ze voelen beter aan hoe moeilijk nabestaanden het met zo'n verzoek kunnen hebben, ze snappen wat ze kunnen doen als nabestaanden emotioneel worden, en ze geven begrijpelijker uitleg over wat er gebeurt als nabestaanden besluiten tot donatie. Of nabestaanden daardoor ook vaker tot donatie besluiten, weet Geke Blok niet. Dat was, zegt ze, niet het doel van haar onderzoek.

Vroeger droegen mensen die na hun dood organen wilden doneren, een codicil bij zich. Als ze geen codicil hadden, kon een arts na hun dood de nabestaanden toch om orgaandonatie vragen. Een op de drie nabestaanden zei `nee'. Sinds 1998, toen de Wet op de orgaandonatie van kracht werd, moeten mensen die willen dat na hun dood hun organen worden gebruikt, zich laten registreren als donor. Ze kunnen ook laten registreren dat ze dat beslist niet willen. Of ze kunnen niets doen, of de beslissing aan hun nabestaanden overlaten. Het idee was dat daardoor meer organen beschikbaar zouden komen. Maar niet zoveel mensen registreerden zich, waardoor nabestaanden vaker over orgaandonatie moeten beslissen.

Er worden in Nederland nog steeds veel minder organen gedoneerd dan er nodig zijn. Acht van de tien nabestaanden zeggen nu `nee'. Meestal omdat de overledene het volgens hen niet zou hebben gewild. Of, blijkt uit onderzoek, ze hebben geen vertrouwen in de arts. Soms vinden artsen het ook vervelend om te vragen. Nabestaanden geven vaak wel toestemming voor donatie als de overledene `veel voor anderen deed'. Of als de arts goed kan uitleggen waarom donatie zo belangrijk is en wat er precies met het lichaam gebeurt.

Als ze toestemming geven, kiezen nabestaanden welke organen gedoneerd mogen worden. Met buikorganen hebben mensen het minst moeite. Soms hebben nabestaanden moeite met het doneren van hart en ogen, wegens hun symbolische betekenis. ,,Vooral jonge mensen hebben moeite met het weggeven van het hoornvlies'', zegt transplantatiecoördinator Ruth Dam. ,,Ze zeggen dan dat het de ogen zijn waarop ze verliefd werden. Ouderen zien juist om zich heen hoe belangrijk dat hoornvlies is.'' Ze vindt iedere beslissing goed, als een nabestaande maar een afgewogen keuze maakt.

Geke Blok ging er in haar onderzoek van uit dat een zakelijke maar tegelijk invoelende houding van artsen en verpleegkundigen nabestaanden goed zou doen – of ze nu wel of niet tot donatie zouden besluiten. Dat was een van haar hypotheses. En die bleek te kloppen. Nabestaanden zijn tevredener over artsen en verpleegkundigen naarmate die beter hebben geleerd hoe ze kunnen meedelen dat een patiënt is overleden en hoe er gevraagd kan worden om orgaandonatie. Onhandig is het, zegt Geke Blok, als artsen en verpleegkundigen niet weten hoe ze over het onderwerp orgaandonatie moeten beginnen. Dan vragen ze of de nabestaanden `het er wel eens over hebben gehad wat er zou gebeuren als iemand zou overlijden'.

Onhandig is het ook als artsen en verpleegkundigen tegen een boze nabestaande zeggen dat die niet boos moet zijn. Of als ze zelf boos worden. Geke Blok: ,,Een arts of een verpleegkundige moet eerst bij zichzelf nagaan waarom hij of zij boos wordt. En zich dan afvragen of het zin heeft om dat te laten merken. Beter is het om te zeggen: blijkbaar bent u er boos om.'' Dat soort vaardigheden, concludeert Geke Blok in haar proefschrift, zijn goed aan te leren.

Cursusleidster en psychologe Thera Hoogeveen zegt later dat die laatste opmerking van Appelman over het helpen van andere kinderen, te veel naar een verkooppraatje neigt. ,,Dat was op het randje'', zegt ze. Hij mag dat alleen zeggen als de vrouw bijvoorbeeld had gevraagd wat er met de organen van haar kind gebeurt. En beter is het om nabestaanden eerst de moeilijkste vraag te stellen. Dat is de donatievraag. Verder deden ze het heel goed, zegt ze.