Berekend risico door slimme statistiek

Met de toekenning van de Nobelprijs economie aan de Amerikaan Robert Engle en de Brit Clive Granger kiest de Zweedse Academie voor wetenschappen voor de traditionele koers. De Nobelprijs voor de economie werd voor het eerst in 1969 uitgereikt aan de Nederlander Jan Tinbergen en de Noor Ragnar Frisch. Ze kregen de prijs, die is ingesteld door de centrale bank van Zweden, voor het ontwikkelen van dynamische modellen en de toepassing daarvan op de analyse van economische problemen.

Van de inmiddels 54 Nobelprijslaureaten hield het merendeel zich bezig met modellenbouw en econometrie. Soms maakt de Zweedse Academie een `uitstapje', zoals vorig jaar toen de prijs werd toegekend aan de Amerikanen Daniel Kahneman en Vernon Smith. Beide wetenschappers gebruiken inzichten uit de psychologie en laboratorium-experimenten om economische theorieën te testen. Maar met de Nobelprijs voor de econometristen Engle en Granger heeft de bètavariant in de economie het in 2003 weer gewonnen van de alfa.

De Amerikaan Robert F. Engle (60) en de Brit Clive W.J. Granger (69) werkten sinds de jaren zeventig samen aan de Universiteit van Californië in San Diego. Granger is geboren in Wales en studeerde wiskunde en economie. In 1959 promoveerde hij op een statistisch onderwerp. In 1974 werd hij hoogleraar in Californië, waar Engle zich drie jaar later aansloot bij de vakgroep econometrie.

Engle was van oorsprong natuurkundige, maar na een jaar onderzoek naar vloeibare stikstof hield hij het voor gezien en maakte de overstap naar de economie. Onder leiding van de beroemde econometrist Ta Chung Liu specialiseerde hij zich in data-analyse. In de jaren tachtig publiceerden Granger en Engle over de statistische analyse van gegevens als het bruto binnenlands product (de economische groei), prijzen, rentetarieven, wissel- en aandelenkoersen. Ze hebben economen, beleggers, en beleidsmakers ,,nieuwe instrumenten gegeven om risico's zo veel mogelijk te beperken'', aldus de Zweedse academie gisteren in een toelichting.

Granger, die in mei van dit jaar met emeritaat is gegaan, krijgt de prijs voor het fenomeen coïntegratie. Hij toonde aan dat statistische methoden die worden gebruikt bij continu gepubliceerde gegevens, volledig misleidend kunnen werken als ze worden toegepast op gegevens die onregelmatig naar buiten komen. De Brit ontdekte relaties tussen onregelmatig gepubliceerde gegevens en het onderliggende vaste patroon. Die relatie noemde hij coïntegratie waarmee hij relaties kon aantonen tussen bijvoorbeeld rijkdom en consumptie of inflatie en wisselkoersen.

Engle, die op dit moment doceert aan de Universiteit van New York, ontwierp modellen die van toepassing zijn op de financiële markten. Koerswisselingen op deze markten lopen sterk uiteen. Er zijn turbulente perioden met grote schommelingen, gevolgd door rustiger perioden met kleine schommelingen.

Ondanks de verschillen in deze zogenoemde volatiliteit werkten onderzoekers met statistische gegevens die uitgingen van constante volatiliteit. De verdienste van Engle is, volgens de Zweedse Academie, dat hij methoden ontwierp om in de tijd variërende schommelingen vast te leggen in statistische modellen. De Academie doelt met name op een publicatie van Engle uit 1982, waarin hij het ARCH-concept introduceerde. ARCH staat voor Autoregressive conditional heteroskedasticity. De storingsterm in een regressievergelijking is niet willekeurig, zo ontdekte Granger, maar volgt een bepaald patroon. Hij legde daarmee de basis voor de financiële econometrie. Prijzen van opties volgen de sterke koersschommelingen van de onderliggende waarden. Granger heeft bijgedragen aan modellen die deze relatie kwantificeren. Bij financiële instellingen wordt zijn theorie veel toegepast in de risicoanalyse van portefeuilles.

De twee wetenschappers moeten een bedrag van 10 miljoen Zweedse kronen (1,1 miljoen euro), dat aan de Nobelprijs voor de economie is verbonden, delen. Op 10 december, de sterfdag van Alfred Nobel, wordt de prijs uitgereikt.