Nobelprijs voor medicijnen gedeeld

De Nobelprijs voor de geneeskunde gaat dit jaar naar de Amerikaan Paul Lauterbur en de Brit Sir Peter Mansfield. Zij stonden in de jaren zeventig aan de wieg van de MRI-apparaten, waarmee jaarlijks inmiddels van miljoenen patiënten beelden van het binnenste van hun lichaam worden gemaakt. De MRI (magnetic resonance imaging) is naast de CT-scan (op basis van röntgenstraling) en ultrasound (hoge geluidsfrequenties) de techniek waarmee de binnenkant van `ongeopende' lichamen zichtbaar wordt.

Lauterbur (1929) liet in 1973 voor het eerst zien dat beeldvorming met magneetvelden en radiostraling mogelijk is. Hij toonde de opname van een citrusvrucht, waarop de partjes van de vrucht in dwarsdoorsnede zichtbaar waren. Het kwam voor de wetenschappelijke wereld als een verrassing. De techniek van kernmagnetische resonantie (NMR, of nuclear magnetic resonance) was tot dat moment alleen in het chemisch laboratorium in gebruik. Mansfield (1933) ontwikkelde de methode waarmee zeer snel beelden kunnen worden opgebouwd. Zijn werk heeft de razendsnelle ontwikkeling naar een medisch-diagnostische techniek mogelijk gemaakt.

Begin jaren tachtig verschenen de eerste MRI-apparaten in de academische ziekenhuizen. Tegenwoordig staan er wereldwijd meer dan 22.000 MRI-apparaten. In tegenstelling tot de CT-scan waarmee botten goed te zien zijn, is de MRI vooral goed in het weergeven van zachte weefsels. MRI onderscheidt op grond van het watergehalte van een weefsel. Tegenwoordig zijn de technieken zo verfijnd dat de beelden ook ontstaan op basis van de manier waarop water in een weefsel is gebonden.

WINNAARS: pagina 4