Selecteren kan weer, maar we noemen het niet zo

Selectie mag weer in het hoger onderwijs. Ook van de politiek. Als het maar niet zo wordt genoemd. Het afscheid van het gelijkheidsdenken is nabij.

Het AMFI Amsterdam Fashion Institute, onderdeel van de Hogeschool van Amsterdam, had dit jaar 950 aanmeldingen. Daarvan werden 440 studenten toegelaten. Beperkte instroom, heet dat op de website van de mode-opleiding. ,,Het AMFI Amsterdam Fashion Institute gelooft in kwaliteit boven kwantiteit.'' Na een opdracht, een `motivatiegesprek' en een toets horen studenten of ze geschikt zijn voor de opleiding.

Van selectie is geen sprake, bezweert directeur Pauline Terreehorst. ,,We kennen de wet, we mogen niet selecteren. Kunstacademies mogen dat wel, wij niet. Wij adviseren alleen of iemand wel of niet de studie kan gaan doen. Er zijn nu eenmaal veel mensen die `iets met mode' willen doen, en die na een jaar afhaken, dat is dramatisch.'' En als een eigenwijze student het advies om iets anders te gaan doen in de wind slaat? ,,Dan kunnen we diegene niet weigeren.''

Noem het `beperkte instroom' en je komt ermee weg. Noem het `selectie' en je hebt een probleem. Selectie in het onderwijs is een heikel punt in egalitair Nederland. Het botste met het heersende credo: toegankelijkheid voor iedereen. Pas nu lijkt het tij te keren. Politici, universiteitsbestuurders en ondernemers spreken steeds luider over het differentiëren van opleidingen en het selecteren van studenten. De felbegeerde kennissamenleving is immers alleen haalbaar als de top wordt gekoesterd en de middelmaat wordt geweerd. Het komende studiejaar zou heel goed het jaar kunnen worden waarin we afscheid nemen van de oude idealen gelijkheid en toegankelijkheid.

Hoe was het ook weer? Hoger onderwijs voor velen, was de kreet uit de jaren '70. Universiteit en hogeschool moesten niet alleen voor de elite toegankelijk zijn, vond toenmalig minister Van Kemenade (PvdA). Instellingen mochten studenten niet weigeren. Wie geen geld had, kreeg een beurs. `Hoger onderwijs voor velen' werd een succes: het aantal studenten op de universiteit steeg tussen 1970 en 1992 van 103.400 naar 161.542. Het hoger beroepsonderwijs zag het aantal studenten in die periode zelfs stijgen van 123.900 tot 256.731.

Hoewel de keerzijde van het massale hoger onderwijs al begin jaren '90 doordrong tot politiek en onderwijs – grote collegezalen met ongemotiveerde studenten, devaluatie van de doctorandus-titel – bleven concrete maatregelen uit. Pas de laatste jaren worden de teugels aangehaald. Jarenlang studeren zonder resultaat wordt niet meer getolereerd. Veel instellingen hanteren een bindend studieadvies: wie in de propedeusefase niet voldoende punten haalt, krijgt het dringende advies de studie te staken.

De universiteiten kondigden onlangs aan af te willen van havo-scholieren die het vwo overslaan en nu nog via een hbo-propedeuse aan een studie kunnen beginnen. En de meeste universiteiten zijn bezig opleidingen te ontwikkelen voor uitblinkende studenten, in de wandelgang `topmasters' genoemd. Vaak gaat het om onderzoeksmasters, die voorbereiden op een baan in de wetenschap. Mogelijk zal staatssecretaris Nijs (VVD) de instellingen toestemming geven om daar een hoger collegegeld voor te vragen. Begin volgend jaar buigt de Tweede Kamer zich over nog niet openbaar gemaakte plannen van Nijs om het hoger onderwijs te hervormen.

De toegankelijkheid van het hoger onderwijs kan ook vanuit een andere kant onder druk komen. Een commissie onder leiding van oud-minister Vermeend presenteert over een paar weken een onderzoek naar aanpassing van de huidige studiefinanciering. Ondanks verzet van de studentenorganisaties LVSb en ISO maakt een stelsel waarbij de huidige beurzen worden vervangen door leningen een goede kans. Het Centraal Planbureau sprak zich onlangs uit voor zo'n sociaal leenstelsel. De studentenbonden vrezen dat studenten nog meer dan nu zullen moeten gaan werken om hun studie te bekostigen.

Studentenbond ISO biedt een alternatief voor `selectie aan de poort': zelfselectie. Hierbij kiest de student zelf op basis van zijn competenties de voor hem meest geschikte opleiding. Niet de instelling maar de student moet kunnen kiezen, vindt het ISO. De studentenbond wil het fenomeen zelfselectie het komend jaar onder de aandacht gaan brengen.

Ook in de politiek maken sommigen zich zorgen over de hang naar selectie, differentatie en prestatie in het hoger onderwijs.. ,,Ik zie deze ontwikkeling met lede ogen aan. Het klassieke Bildungsideaal wordt ingeruild voor een voorbereiding op de arbeidsmarkt'', zegt Kees Vendrik, Tweede-Kamerlid voor GroenLinks. Zelf kreeg hij de democratisering met de paplepel ingegoten. Zijn vader was eind jaren '60, begin jaren '70 rector magnificus en later voorzitter van het College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen. ,,De huidige trend in het hoger onderwijs is erop gericht om mensen er zo snel mogelijk uit te werken, dat is volkomen verkeerd. Je moest juist allerlei noodingangen creëren, zodat mensen die buiten de boot vallen weer naar binnen kunnen worden gehaald'', vindt Vendrik.

Vendrik wil dat studiefinanciering de ruimte blijft bieden om een verkeerde keuze te maken: ,,We willen dat mensen snel een keuze maken, maar als ze de verkeerde keuze maken, wordt dat meteen afgestraft. Waarom juichen we het toe als iemand later in zijn carrière een ommezwaai maakt, en verwachten we van 18-jarigen dat ze meteen de juiste keuze maken? We moeten erkennen dat wetenschappelijke carrières heel grillig kunnen verlopen.''

Aan de andere kant van het politieke spectrum bevindt zich Arie Slob van de ChristenUnie, ook geen voorstander van de huidige ontwikkelingen. ,,De toegankelijkheid van het hoger onderwijs staat onder grote druk. Je ziet zowel op financieel als op onderwijskundig gebied dat er drempels opgeworpen worden voor studenten. Doordat het bedrag dat we per student besteden ieder jaar daalt, ligt er een grote druk op de instellingen om hoge rendementen te halen. Maar als we financiële drempels gaan opwerpen, zullen met name de minder rijke ouders minder snel geneigd zijn om hun kind te laten studeren. De overheid moet ingrijpen als instellingen te ver gaan met hun eisen, zij blijft immers de belangrijkste geldschieter.''

Andere partijen zijn minder stellig in hun afwijzing. Veel van de selecterende maatregelen kunnen rekenen op hun begrip, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden. PvdA-Kamerlid Jacques Tichelaar bijvoorbeeld, wil best praten over de invoering van een sociaal leenstelsel. ,,Maar dan moet er wel een harde garantie worden ingebouwd dat afgestudeerden die hun lening niet terug kunnen betalen, dat ook niet hoeven. Lenen werpt bij grote groepen van de bevolking drempels op, die angst moet echt weggenomen worden. Anders creëer je een tweedeling.'' Lousewies van der Laan van D66 is ,,niet bij voorbaat tegen een leenstelsel, als de overheid ervoor zorgt dat iedere student die dat wil, hoger onderwijs kan volgen''.

Nog zo'n voorwaarde: Fenna Vergeer (SP) vindt het bindend studieadvies zinnig, maar alleen als er in het eerste jaar intensieve begeleiding is geweest. Als dan na een jaar blijkt dat een student te weinig punten heeft gehaald, mag een instelling aansturen op zijn vertrek.

Zolang de toegankelijkheid blijft gewaarborgd, vindt de LPF, mag er best selectie plaatsvinden. Margot Kraneveldt: ,,Het criterium bij toelating tot een dure opleiding moet de kwaliteit van een student zijn, niet zijn portemonnee. Topmasters zijn op zich prima, op voorwaarde dat slimme studenten zonder rijke ouders er ook gebruik van kunnen maken. In die gevallen moet de overheid voor compensatie zorgen. We moeten hier geen Amerikaans systeem kopiëren, waarbij het beste onderwijs alleen voor de rijken is weggelegd.''

Laat Amerika nou net het voorbeeld zijn voor VVD-Kamerlid Arno Visser. Hij is de enige van de hoger onderwijs-specialisten die de selectie onvoorwaardelijk steunt. ,,Ik vind het goed als universiteiten extra toelatingseisen stellen aan studenten. Ook differentiatie van collegegeld voor goede opleidingen is niet verkeerd. Waarom is Harvard zo'n goede universiteit? Omdat daar op kwaliteit geselecteerd wordt en daar met extra collegegeld goed onderwijs wordt betaald. Ik ben niet bang dat opleidingen de rijkste studenten gaan selecteren. In het Angelsaksische systeem mogen toelatingscommissies niet de financiële antecedenten van studenten nagaan, dus zij komen daar niet achter.''

De stellingname van CDA-Kamerlid Cisca Joldersma is verpakt in een taalkundige manoeuvre. ,,Omdat de studieduur is verkort, is er minder plaats voor verdieping, en worden studenten minder uitgedaagd. In plaats van selecteren zie ik liever dat er extra uitdagingen worden gecreëerd voor studenten die daar behoefte aan hebben. Op die manier blijft het hoger onderwijs voor iedereen toegankelijk, en voor de extra getalenteerden ook aantrekkelijk. Een egalitair stelsel moet het uitgangspunt blijven, maar daarbinnen kun je differentiëren.''

In de acht jaar dat hij namens de PvdA minister van Onderwijs was, van 1990 tot 1998, deed Jo Ritzen verschillende pogingen de groei van het aantal studenten in te dammen. Sinds begin dit jaar is hij voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht, en kan hij volop experimenteren met selectieve maatregelen. Ritzen: ,,We maken vooral gebruik van informele middelen, want de wetgeving is op dit punt beperkt. We streven niet naar een elite van slimmerds, maar naar een goede mix van studenten, verscheiden naar sociale achtergrond, nationaliteit en algemene ontwikkeling. Ik spreek liever niet van selectie, dat klinkt zo hard. Wij sluiten een contract met studenten. Als ze akkoord gaan met onze voorwaarden, krijgen ze daar heel goed onderwijs voor terug.''

Dat de huidige trend in strijd zou zijn met de PvdA-ideologie is volgens Ritzen een misverstand. ,,Democratisering geeft juist aanleiding tot differentiatie. Ik zei dat binnen de partij altijd tegen Wim Kok: als je niet differentieert laat je de zoon van de timmerman in de kou staan. De zoon van de chirurg heeft de middelen om slecht onderwijs te ontvluchten, die zoekt zijn heil in het buitenland. Als je de nieuwkomers in het hoger onderwijs een dienst wil bewijzen, moet je differentiëren, niet nivelleren.''