Gedoe met stempels, maar ook veel leren

Studeren in het buitenland is mogelijk voor iedereen. Toch klagen studenten nog te vaak over lange aanvraagprocedures en slechte voorlichting.

De helft van de studenten in Nederland wil in de toekomst een masteropleiding volgen in het buitenland. Dat blijkt uit een onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) onder duizend studenten in de verschillende universiteitssteden. Een `paar maanden buitenland' is tegenwoordig een vast bestanddeel van het curriculum vitae, zo lijkt het. Zeker sinds onderwijsminister Van der Hoeven de voorwaarden voor behoud of juist tijdelijke stopzetting van de studiebijdragen heeft verruimd. In de folder Je gaat studeren in het buitenland van de Informatie Beheer Groep (IBG) in Groningen (www.ib-groep.nl) worden alle regels op een rij gezet.

Toch is de weg naar het buitenland nog niet geplaveid. Overheid en instellingen blijven in gebreke bij het wegnemen van zogenaamde `mobiliteitsobstakels' waardoor de internationalisering van het onderwijs niet van de grond komt. ,,De informatievoorziening laat te wensen over, aanvraagprocedures duren vaak te lang en er is een tekort aan samenwerkingsverbanden met het buitenland'', zegt Perke Rombouts, voorzitter van het ISO. ,,Met alle gevolgen van dien.''

Ariëla Hagenbeek studeerde European Business Administration aan de Hogeschool InHolland in Diemen. Aan het einde van haar studie wilde zij graag een jaartje naar het buitenland. Diemen werkte net aan een samenwerkingsverband met de universiteit van Alicante en Ariëla kreeg toestemming om als eerste een masteropleiding `international commerce' te volgen. Hagenbeek: ,,Met een VSB-beurs ben ik naar Spanje afgereisd. De eerste twee maanden ben ik alleen maar bezig geweest met administratieve problemen. Hoewel ik een internationale opleiding had gevolgd, moest mijn diploma vertaald worden door een beëdigd vertaler. Vervolgens miste ik weer een stempel. Toen ik mijn collegegeld in een keer wilde voldoen, werd dat geweigerd. Ik moest een speciale rekening openen en alles in vijf termijnen betalen.'' Pas drie maanden na aankomst, zegt Hagenbeek, kon zij genieten van haar verblijf.

De Nuffic, de organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs en de grote beurzenbeheerder van onder andere het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, inventariseert klachten van bursalen. Hanneke Teekens, hoofd van de afdeling Internationalisering bij de Nuffic: ,,We nemen de klachten – in de praktijk gaat het om een klein aantal – heel serieus. We proberen altijd uit te zoeken waar het organisatorisch verkeerd is gelopen. Als een student belt vanuit India en zegt: er is hier geen huisvesting voor me geregeld, dan bellen we met de universiteit aldaar en die zeggen dan: maar het is wel geregeld! Hiermee wil ik zeggen, dat studenten vaak vergeten dat het buitenland geen Nederland is. In India zullen ze een slaapplaats voor je regelen terwijl we in Nederland voor een buitenlandse student meteen een studentenkamer met alles erop en eraan tot onze beschikking hebben.''

De Nuffic vraagt iedere student die een beurs heeft bemachtigd om bij terugkomst een verslag van zijn verblijf in het buitenland te maken. Volgens Mathilde Lagendijk, die als teamleider `Uitstroomprogramma's' de dossiers van bursalen archiveert, komt vrijwel iedere student met positieve verhalen terug. ,,Een heel enkele keer, in ieder geval in minder dan één procent van de gevallen, loopt het niet zoals een student had verwacht. Dat wil zeggen: er waren zoveel nadelen dat die niet opwogen tegen de voordelen.''

Uit de zogenoemde BISON-monitor van het ministerie van OC&W blijkt dat ieder jaar zo'n 30.000 studenten buitenlandervaring opdoen. Ofwel: 32 procent van de afgestudeerde academici en 23 procent van de afgestudeerde hbo-studenten. Toch concludeert het ISO dat de internationalisering van het hoger onderwijs stagneert. Rombouts: ,,In 2000 meldde de BISON-monitor nog dat 7 procent van de studenten in het hoger onderwijs de kans had om in de loop van zijn of haar opleiding met een beurs naar het buitenland te gaan. Als je die gegevens vergelijkt met de nieuwe monitor, dan blijkt dat dit percentage is gedaald naar 5,3 procent. Dat is een daling van 24 procent! En dat terwijl het hele master-bachelor systeem als speerpunt had: aansluiting op universiteiten in het buitenland.''

Na bestudering van de dossiers over buitenlandse instellingen en universiteiten en het leven in het buitenland, is de conclusie dat de opvang in het buitenland goed is en dat studenten hun plek wel weten te vinden. Als er klachten zijn, betreffen die veelal de lange voorbereiding en moeizaam verlopende contacten. Een student die in Griekenland studeerde klaagt dat hij zich na aankomst bij verschillende bureaus en kantoren moest melden voor administratieve en gezondheidsonderzoeken. Eén student meldde in Grahamstown, Zuid-Afrika, zelfs te maken te hebben gehad met corruptie en docenten die niet kwamen opdagen. In Pretoria en Stellenbosch lijkt dat beter te zijn geregeld, al signaleerden studenten daar weer veel naweeën van het apartheidsregime.

In België is daarentegen sprake van een kameroverschot, maar daar had een enkeling dan weer ,,last van de slechte naam die Nederlanders hebben bij de zuiderburen''. In Toronto worden de studenten op `ludieke' wijze van het vliegveld gehaald en worden de studieprogramma's op verzoek aan buitenlandse studenten aangepast. In Wellington, Nieuw Zeeland, zijn de Kiwi's ,,zeer relaxte mensen''. Dat beaamt de studente die in Christchurch een prachtige woning vond aan het strand en overdag een fysiek zware circusopleiding volgde. ,,We werden omgeven door goede en meelevende docenten.''

Studeren in het buitenland is dus meer dan het behalen van studiepunten. De ervaring om een tijdje in het buitenland te wonen en te studeren, wordt door alle studenten aangeduid als belangrijkste `winstpunt'. Een enkeling blijft zelfs hangen aan de buitenlandse universiteit en kan nog niets zeggen over terugkomen. ,,Ik wil kijken, praten en blijven lezen. In Frankrijk kan dat beter dan in Nederland'', aldus filosoof Luuk van Middelaar die na zijn Talentenbeurs aan de Ecole des Hautes Etudes et Sciences Sociales in Parijs, nog jaren in Frankrijk verder werkte en studeerde.