Grondwet in slotfase

IN ROME BEGINT morgen de eindfase van de strijd om de Europese grondwet. Regeringsleiders en staatshoofden van de Europese Unie openen daar officieel de onderhandelingen over de ontwerp-constitutie.

Het is het begin van een bijeenkomst die bekendstaat als Intergouvernementele Conferentie (IGC) van Europese regeringen. De Europese Conventie onder leiding van de Fransman Valéry Giscard d'Estaing was verantwoordelijk voor de totstandkoming van de schets zoals die nu aan de regeringsleiders wordt voorgelegd. De grondwet moet de EU, mede gelet op de uitbreiding met tien nieuwe landen, democratischer en doorzichtiger maken. Of dat lukt moet nog blijken. Intussen staat één ding vast: de Conventie bleek niet het `praatcircus' waarvan een enkeling repte, maar een volwaardig ontwerper van een werk dat – hoe men er ook over denkt – grote gevolgen zal hebben voor het functioneren van de Unie en haar lidstaten. Het besef daarvan is laat doorgedrongen, al waren de procedures van de Conventie naar EU-maatstaven open en toegankelijk voor velen. Medio volgend jaar wil een aantal landen, waaronder Nederland, een referendum over de grondwet houden. Het ontwerp daarvan is een boekwerk van honderden pagina's. Daarin staan artikelen en paragrafen van een vèrstrekkendheid die iedere Europese burger tot aandacht zouden moeten dwingen. Maar de inhoud van de grondwet is, behalve bij een handvol experts, slechts bij weinigen bekend. De Nederlandse regering gaat de Intergouvernementele Conferentie in met als inzet een aantal standpunten over de constitutie waaraan zij vast wil houden of die zij veranderd wil zien. Met het oog op het komende referendum moet het kabinet met alle macht en middelen aan het Nederlandse volk tonen wat nu ontworpen is en hoe hoog de urgentie is om mee te denken. Het gaat er niet om hoe Nederland in juni over de Europese grondwet stemt; het gaat er om dat Nederlandse burgers weten waarover ze straks kunnen stemmen.

DE ONDERHANDELINGEN in Rome hebben als speerpunt de machtsvraag. Welke Europese instelling krijgt meer of minder macht? Voor Nederland als klein land – kleiner wordend naarmate de Unie uitbreidt – is veel te winnen of te verliezen. De drie hoofdinstituties van de Unie zijn het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Raad (de regeringsleiders). Conventievoorzitter Giscard heeft een vaste voorzitter van de Europese Raad voorgesteld, een `Mr. (of Mrs.) Europe', die weerstand oproept bij kleinere landen. Europa krijgt zijn `president', dat staat vrijwel vast. Het verzet tegen zijn komst kan beter worden omgezet in onderhandelingen over de voorwaarden – en vooral beperkingen – voor het functioneren van zo'n persoon. Dan de positie van de eurocommissaris. Iedere lidstaat een volwaardige commissaris geven tast de slagkracht van de Commissie aan. Het idee van vijftien stemgerechtigden, roulerend tussen de lidstaten, gaat tegen de wens van de Tweede Kamer in. Maar uit het onderhandelingspunt van de gelijke roulatie zou Nederland iets extra's kunnen halen.

De regering doet er goed aan om in de IGC niet van de vertrouwde communautaire koers af te wijken, al wordt tegenwoordig regelmatig het tegenovergestelde bepleit. De afkalvende Nederlandse positie in de EU is het meest gebaat bij een machtsevenwicht tussen Parlement, Commissie en Raad. Een steviger rol voor de te machteloze volksvertegenwoordiging verkleint het democratisch tekort en zou de machtsbalans meer in evenwicht brengen. Verder dient te worden vastgehouden aan de uitbreiding van (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming. De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid wees daar met recht nog eens op in een recente publicatie over de grondwet. Ook is het van belang dat Nederland zijn vetorecht voor de langetermijnbegroting van de Unie niet te gemakkelijk weggeeft. Invloed uitoefenen op de EU-financiën kan alleen met een stok achter de deur. Als het veto onverhoopt moet sneuvelen, dan alleen duurbetaald en niet zo achteloos als staatssecretaris Nicolaï het deze week in de uitverkoop deed.

SOMMIGE EU-LANDEN vinden dat niet meer aan het ontwerp van de grondwet mag worden gesleuteld. Andere hebben talrijke veranderingen voorgedragen. Het risico van `ontrafeling' van de concept-grondwet is zeker aanwezig. Maar Nederland hoeft om die reden niet de braafste van de klas te zijn. Het moet zijn belangen verdedigen, niet te snel toegeven en gewenste wijzigingen waar mogelijk doordrukken of uitonderhandelen. Er staat weer veel op het spel – om te beginnen de vraag hoeveel macht en invloed Nederland krijgt in de Unie.