Premier geeft Kamer haar zin in nasleep Margarita

Na meer dan anderhalve eeuw discussie verloor het Kabinet der Koningin gisteren in de Tweede Kamer zijn laatste resten `eigenstandigheid'. Premier Balkenende ging verrassend óm, in de nasleep van de zaak-Margarita.

Wat de Kamer nog het meest verraste, was de snelheid waarmee premier Balkenende de vlag streek. ,,De minister-president legt naar mijn gevoel iets te vroeg het hoofd in de schoot'', aldus Van der Vlies (SGP) op bestraffende toon. Ook de VVD-woordvoerder staatsrecht Van Beek meende na afloop dat het ,,sneller is gegaan dan verwacht''.

Zonder noemenswaardig weerwerk van de premier kreeg de Tweede Kamer gisteren haar zin in een staatsrechtelijke kwestie die al meer dan anderhalve eeuw de politiek bezighoudt: het Kabinet der Koningin en zijn directeur worden ,,ten volle'' onder de ministeriële verantwoordelijkheid gebracht.

Niet alleen in de zin dat, zoals het kabinet al had voorgesteld, er een Koninklijk Besluit (KB) komt waarin staat dat de directeur van het Kabinet der Koningin bij alles wat hij doet ,,de minister die het aangaat'' moet verwittigen. Ook zal wat het kabinet aanvankelijk niet wilde het Kabinet der Koningin onder directe verantwoordelijkheid van de premier komen. In technische termen: de begroting van het Kabinet der Koningin verhuist van hoofdstuk II van de rijksbegroting (waaronder onder andere de hoge colleges van staat vallen en die wordt getekend door de minister van Binnenlandse Zaken), naar hoofdstuk III, dat door de premier wordt getekend.

Balkenende kon bijna niet anders dan de Kamer gehoorzamen, tenzij hij er de dreiging met een kabinetscrisis voor had overgehad. Want de Kamer maakte zich op om twee amendementen aan te nemen van Kamerlid Kalsbeek (PvdA), waarin het Kabinet der Koningin naar de begroting van het ministerie van Algemene Zaken werd overgeheveld.

Dat die amendementen op een ruime meerderheid konden rekenen werd tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van Algemene Zaken meteen duidelijk. Alleen het CDA en de SGP bleken zich te kunnen vinden in de redenering van premier Balkenende dat met de wettelijk vastgelegde informatieplicht voor de directeur van het Kabinet der Koningin was voldaan aan de motie-Kalsbeek.

In die motie, met algemene stemmen aanvaard bij het Kamerdebat over de zaak-Margarita op 12 maart, werd gevraagd het Kabinet der Koningin ,,ten volle'' onder de ministeriële verantwoordelijkheid te brengen. Met ontsteltenis had de Kamer in maart immers geconstateerd dat de directeur van het Kabinet der Koningin, zonder medeweten van welke minister dan ook, de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD, nu AIVD) een onderzoek naar de toekomstig echtgenoot van de prinses had laten doen. Dat nooit meer, zo stelde de Kamer.

Coalitiepartijen VVD en D66 sloten zich gisteren bij de begrotingsbehandeling aan bij de oppositie. De premier had in zijn notitie bij het ontwerp-KB betoogd dat plaatsing van het Kabinet der Koningin op de begroting van Algemene Zaken ten onrechte de indruk zou wekken dat deze instantie, die optreedt als secretarie van het staatshoofd, ook onderdeel zou zijn van het ministerie van de premier. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de ,,eigenstandige'' rol van de koningin als lid van de regering, was Balkenende's argument.

Spreker na spreker maakte daarmee korte metten. ,,Eén zin in de toelichting op de begroting voorkomt dit misverstand'', meende de VVD. Daarna ging de premier om, tot algemene verrassing van de Kamerleden. En zonder zich te begeven in een verdere behandeling van de bezwaren, die hij in zijn notitie nog zo gloedvol uiteen had gezet.

De staatsrechtelijke positie van het Kabinet des Konings (onder koningin Beatrix en andere vrouwelijke vorstinnen Kabinet der Koningin geheten) is al inzet van staatsrechtelijk touwtrekken sinds de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid na 1848. Met name de liberale staatsman Thorbecke onderscheidde zich in de strijd tegen het Kabinet en vooral de directeur ervan. Hij beschouwde dit als een instrument van politieke macht van het staatshoofd, dat de neiging had zich aan ministeriële verantwoordelijkheid te onttrekken, om over parlementaire controle nog maar te zwijgen.

Kalsbeek memoreerde in de Kamer dat de liberale staatsman Van Houten er al in 1870 voor had gepleit het Kabinet des Konings uit hoofdstuk II van de rijksbegroting te halen. De roep om een eind te maken aan het ,,staatsrechtelijk vacuüm'' (Schelto Patijn, 1982) rond de instelling klonk sindsdien regelmatig. Beetje bij beetje slechts werd de macht van de directeur weggeknaagd. Sinds 1893 bijvoorbeeld geeft deze niet meer het Staatsblad uit waarin wetten worden afgekondigd. Al eerder was een eind gemaakt aan de praktijk waarbij de directeur secretaris was van de ministerraad en alle vergaderingen daarvan bijwoonde.

Wat Balkenende gisteren aanvankelijk voorstelde, was weer een deelmaatregel: voor het eerst sinds 1840 zou de directeur van het Kabinet der Koningin een formele instructie krijgen, per KB. Maar de Kamer was niet meer tevreden met halve maatregelen, een rechtstreeks gevolg van de kwestie-Margarita.

Wat de koningin van dit alles vindt, bleef tijdens het Kamerdebat gisteren onbesproken, overeenkomstig het sinds 1848 geldende principe dat het staatshoofd onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk.